vrijdag 12 maart 2010

Bielkade

Als pontjesvaarder moet je alles in de gaten houden, zelfs koopzondagen. Het pontje Wal-Nood in Alkmaar vaart alleen op zondag als het koopzondag is. En dat is de eerste zondag van de maand. Daarom gingen wij op 7 maart 2010 per trein naar Alkmaar.

Het pontje zou van de Bierkade naar de Eilandswal varen. Wij fietsen in de richting van het Biermuseum. Nee, daar is het niet. De kaasmarkt is uitgestorven. Ineens zie ik een Chinese man. Alle vooroordelen opzij schuivend, vraag ik in het Nederlands of hij weet waar de Bierkade is. Gelukkig kan ik op het laatste moment nog verhinderen dat ik Bielkade zeg. Indachtig wat Gerard, mijn man, een keer is overkomen. Een Japanse vrouw vraagt hem in het station waar ze sigaretten kan kopen. Voor hij er erg in heeft, zegt hij: “Op het pellon”. “Op het pellon? Dankuwel” en blij loopt ze naar het perron.
De chinees bestudeert het Google-kaartje dat ik geprint heb en knikt een paar maal. Terwijl hij zo druk bezig is, bedenk ik me dat Aziaten nooit nee zeggen. Het zou wel eens lang kunnen gaan duren, voordat hij antwoord gaat geven. Maar ineens weet hij het en hij wijst dat we het bruggetje over moeten om alsmaar rechtdoor te rijden en dat we dan vanzelf op de Bierkade komen. Wij rijden door het smalle Fnidsen en bereiken inderdaad de Bierkade.

Om de hoek zien we een boot liggen, die er wel als een pontje uitziet. Hij blijkt op zijn rustplaats te dobberen en vanaf 12 uur legt hij pas aan bij de Bierkade. We passeren het Nederlandse Kachelmuseum en we hebben de neiging om naar binnen te gaan, zodat we ons kunnen warmen. Het is -1°C. We vermoeden dat de kachels niet branden en dan heb je er niets aan. Nauwelijks heeft Josephine de thee ingeschonken op de veerstoep of we horen de pontjesbaas de motor al starten. Met de theebeker in de ene hand en de fiets in de andere, gaan we de Wal-Nood 2 op. Het water is zo smal dat we nog steeds niet onze thee op hebben als we aan de overkant zijn. We stappen af en gaan eerst rustig onze thee opdrinken. “Kijk”, zegt Josephine “er zit een haak aan de buitenkant van het pontje, die automatisch om de dukdalf grijpt.” Het klaphekje, dat toegang geeft tot de pont, gaat eveneens automatisch open en dicht. De pontjesbaas hoeft dus helemaal niet uit z’n stuurhut te komen. Dit is de hoogste graad van automatisering, die we hebben meegemaakt.

Voor de wind naar Castricum lijkt ons wel wat. Aan onze rechterhand hebben we de duinen en links de mooie villa’s van de buitenwijken van Heiloo en Limmen. Ineens zien we een bordje “Rustpunt pontjesroute”. Wat hebben we gemist? Vlug in het pontjesboekje gekeken: “Ha, deze route hebben we al half augustus 2003 gedaan.”
We hebben slechts 22 kilometer gefietst, maar wel het beoogde pontje – de 149e - gescoord.

Nog 51 te gaan.

Hoewel? Het verslag over het jaar 2009 van de Vrienden van de Voetveren vermeldt dat er in 2009 18 veerponten in de vaart zijn gekomen en dat er 5 gestopt zijn. Ik zoek later nog wel eens uit wat de gevolgen zijn voor onze telling; niet alle pontjes voldoen immers aan de voorwaarde dat de veerstoep al fietsend bereikt moet kunnen worden.

maandag 1 februari 2010

Twitteren

Twitteren vind ik wel wat voor jou,’ zei Renée van H. tegen mij afgelopen donderdag. Ik had er wel eens over nagedacht, maar het verworpen als te ‘hijgerig’. De volgende morgen heb ik me er toch eens in verdiept. Ik heb nu immers alle tijd om dat soort dingen te doen. Een account was snel aangemaakt en het bleek dat ik zelfs met mijn oude mobiele telefoon (Nokia 6100) kon twitteren. Het is gewoon SMS’en en dan naar een bepaald telefoonnummer sturen en klaar is kees. De eerstvolgende pontjestocht leek mij een geschikte gelegenheid om mijn eerste berichten de ether in te sturen.

Bij ons beiden was er twijfel of we wel zouden gaan, omdat er weer een pak sneeuw was gevallen, maar geen van beiden had de telefoon gepakt. We hadden gewoon weer zin in een tocht. De fietspaden in Capelle aan den IJssel waren afwisselend schoon en met ijs bedekt. De provinciale weg was schoon; het risico van hard rijdende auto’s nam ik op de koop toe.

Vrij reizen
Vandaag zou ik mijn eerste ‘vrij reizenkaartje’ van de NS gebruiken. Niet vergeten om wel een fietskaartje te kopen en niet vergeten om het ‘vrij reizenkaartje’ af te stempelen op het perron.

Catharina Amalia
Achter Amsterdam CS is het spekglad, zelfs de steiger is niet schoongemaakt. Het blijkt dat de fietsen bovenop de fast ferry moeten worden geplaatst. Halverwege de helling naar het dak van de draagvleugelboot Catharina Amalia glijden we weg, maar met behulp van de bootsman lukt het om de fietsen op de bestemde plaats te krijgen. Eenmaal in de boot realiseren we ons dat onze fietstassen er nog op zitten. Als een instructiefilmpje ons vertelt dat we de veiligheidsriemen om moeten doen en dat we tijdens de reis niet mogen lopen, kijken Josephine en ik elkaar aan. Terwijl de instructiedame vrolijk doorgaat met de mededeling dat we geen mobiele telefoon mogen gebruiken tijdens de vaart, valt mijn oog op een mededeling dat je in de chillroom wel mag bellen. Maar hoe kom ik daar, als ik niet mag lopen? Josephine let beter op: ‘We zìtten in de chillroom.’ Ik verstuur mijn eerste twitterbericht:

‘eerste pontje vandaag fast ferry naar velsen. Wij zitten in de chillroom. ‘

Barbara W. reageert onmiddellijk met:

‘hebben die degelijke ferrys nu ook al een chillroom? ik loop achter:-) veel plezier tijdens je trip’

Na een aanloop verheft de ferry zijn neus en worden we in de kussens gedrukt.
Bij Spaarnwoude passeren we de sneeuwgrens. Bij aankomst blijken onze fietsen nog aanwezig en ook de tassen zitten er nog aan.

Rijkspont 9
We kunnen gelijk overstappen op de motorveerpont naar Velsen-Noord. We willen echter niet in Velsen-Noord zijn. We moeten 20 minuten wachten om weer terug te varen; dan maar een kopje soep met boterhammen. Uiteindelijk gaat het zo snel dat ik vergeet te twitteren.

Rijkspont 7
De fietspaden zijn mooi schoon en met de wind in de rug zijn we snel weer bij Spaarnwoude, waar de motorveerpont Rijkspont 7 ons naar Buitenhuizen brengt. Ik twitter:

‘derde pontje alweer de rp 7.’

Na ‘alweer’ had wel een komma gemogen.

Zaanstreek
Nu blijven we wel aan de overkant, de Zaanstreek, met zijn mooie houten huizen. We passeren Nauerna (duidt op ‘ver afgelegen plaats’ of ‘land dat de moeite van het bewerken niet loont’). Josphine maakt een paar sfeervolle foto’s. Het wegdek is meestal schoon met hier en daar ijsplekken. Wanneer we het station van Zaandam binnenrijden, blijkt binnen een paar minuten onze trein te vertrekken. In onze ooghoeken zien we nog net het Golden Tulip Hotel met zijn gevel van op elkaar gestapelde Zaanse huisjes. Ik kan helemaal blijven zitten tot Nieuwerkerk. Josephine stapt over op Amsterdam CS.

Op het perron van Nieuwerkerk ontmoet ik weer de vrouw van vanochtend met haar zoon. We wisselen onze ervaringen uit. Zij waren in Amsterdam naar ‘Avatar’ geweest. Bij het bericht dat wij maar liefst 3 pontjes hebben gedaan, steekt ze haar duimen op.

Nog 52 te gaan.

PS: wil je me voortaan ‘live’ volgen tijdens een pontjestocht via Twitter, maak een account aan op Twitter.com, zoek “bettievanveen” op en geef je op als volger.

zondag 27 december 2009

Windstilte

Iedere keer als ik al vroeg op de fiets zit voor een pontjestocht vraag ik me af waarom ik niet vaker vroeg op sta. De laaghangende mist die over de weilanden hangt, dempt alle geluiden, het is net of je alleen op de wereld bent. Deze mist werd door iemand van Meteoconsult ‘koeienpotenmist’ genoemd, dat vond ik een mooie benaming. In de trein kan ik de opkomende zon een tijd lang volgen.

Onder het chocolademelk drinken op Amsterdam Sloterdijk vertelt Josephine over het bezoek van haar moeder. Die wilde naar een oude vriendin in Hoorn en had aan Josephine gevraagd of zij de treintijden wilde uitzoeken. Josephine gaat naar ov9292 en heeft al lang het vertrekstation Voorburg en aankomststation Hoorn ingegeven, terwijl haar moeder maar blijft roepen dat ze naar Hoorn moet. Uiteindelijk bleek dat haar moeder al de treintijden uit haar hoofd weet. Josephine had dit dus voor niets uitgezocht. We stellen vast dat oude mensen steeds onzekerder worden en dus bevestiging zoeken voor wat ze eigenlijk al weten.

Terwijl we op het perron staan waar de trein naar Enkhuizen moet aankomen, zegt Josephine dat het maar 1 halte is. Ik kijk verbaasd, omdat het nog bijna een uur reizen is. ‘Oh wat stom van me, ik heb maar een kaartje tot Hoorn; dat komt natuurlijk doordat mijn moeder almaar “Hoorn” riep gisteren. Ik ga gauw een kaartje erbij kopen.’ De trein loopt het station binnen en Josephine is nog niet terug. Ik zet alvast mijn wiel op een treeplank. De conductrice maant dat ik vlug moet instappen. Ha, daar is Josephine. De conductrice is coulant en we kunnen beiden nog mee. Wel, moeten we bij de volgende halte het fietsbalkon opzoeken. Even later meldt ze dat we maar een balkon hoeven op te schuiven.

Het station in Enkhuizen ligt praktisch aan het water. De veerboot ´Friesland’ is zo gevonden. Het is de laatste vaart van dit seizoen en er gaat slechts een handjevol mensen aan boord. Via het Krabbengat varen we het IJsselmeer op, maar de kust van Noord-Holland blijft voortdurend in het zicht. Op de kaart volgen we de voortgang. ‘Goh, wat zou Zittend betekenen?’ vraagt Josephine zich af. ( Ik zoek het later thuis op: In het Middelnederlands Sidewende ‘binnendijk die zich terzijde langs het land wendt, dwars op de richting van de hoofddijk’). De vuurtoren, die we passeren heet Lichthuis volgens de kaart. ‘En nu weten we ook waar Lutjebroek ligt!’ De kinderen aan boord gedragen zich alsof ze thuis zijn. Dat bleek later te kloppen: de schipper woont met zijn gezin aan boord.

In Medemblik kunnen we zo op de stoomtrein naar Hoorn stappen, maar dat doen we niet. Wij willen graag fietsen. Het is een prachtige windstille dag, het water is spiegelglad en het zonnetje komt door.
We rijden over de dijk tegengesteld aan de vaarroute. Rechts van ons de kleine dorpjes met hun mooie huizen en monumentale kerken of pittoreske kerkjes en links het IJsselmeer. Meer heb je niet nodig in het leven. Ondanks de windstilte zijn er toch veel zeilboten op het water. We halen ze met gemak in. Bij Vuurtoren De Ven stoppen we even om te genieten van het uitzicht. Het is heel rustiek: de zeilboten worden weerspiegeld door het gladde wateroppervlak.

In Enkhuizen aangekomen, blijkt de trein net weg te zijn. Geen nood, we kunnen buiten op het terras nog een kopje thee drinken. Bij de overstap op Amsterdam Centraal is de tijd te kort; ik probeer weer mijn truc met mijn wiel op de treeplank, maar de deuren worden onbarmhartig gesloten. Het is druk. De marathon van Amsterdam is net afgelopen en de diverse atleten (met medaille) tonen elkaar hun blessures.

In vergelijking met andere jaren, is 2009 een goed pontjesjaar geweest. Kijk maar eens naar deze tabel:

1998 6
1999 1
2000 0
2001 2
2002 7
2003 14
2004 8
2005 16
2006 33
2007 15
2008 14
2009 18

Maar... nog 55 te gaan.

Naschrift
Op 20 december zouden we onze laatste pontjestocht van 2009 (naar Alkmaar) doen, maar op zaterdagmiddag besloten we het uit te stellen vanwege de verwachte sneeuw. Op zondag om 10.39 uur mailt Josephine: ‘Goede beslissing!’. ’s Avonds tijdens het journaal wordt dat nog een keer bevestigd.

18 oktober 2009

zondag 18 oktober 2009

Straattaal en aan de verkeerde kant staan

Ik volg de met krijt getekende pijlen op de grond. ‘Bel aan op nummer 27’ lees ik even verderop. Ik kijk naar boven naar de deur met huisnummer 27. Als je aanbelt, zou je dan een glaasje limonade krijgen, vraag ik me af. Maar ik denk niet dat die mensen blij zouden zijn als ik op zondagochtend om even voor achten zou aanbellen. Maar gauw doorfietsen, voordat ik voor de verleiding bezwijk. Even later staat er 3P. Wat zou dit voor opdracht zijn?
De pijl naar links negeer ik en ik rijd rechtdoor naar het metrostation De Terp.

Volgens de instructies van Josephine moest ik om 9.24 uur op perron 4 van station Dordrecht de trein naar ’s-Hertogenbosch nemen, maar er staat Utrecht Centraal op het informatiebord. Maar dit is toch echt perron 4 en de tijd klopt ook. Ik loop alle haltes na waar de sneltrein stopt en daar staat ’s-Hertogenbosch ook tussen. Dat is een rare omweg naar Utrecht. Nu herinner ik me weer dat Josephine gemaild had dat er aan het spoor werd gewerkt bij Utrecht en dat we dus over Rotterdam moesten reizen. Even later gooit Josephine haar fiets in de trein.

We hebben onze eerste colleges achter de rug en we spreken over volle collegezalen, slecht Engels sprekende docenten, de tentamens en de vele stof, die we moeten bestuderen. Josephine doet Educational Science and Technology aan de universiteit van Twente en ik een masteropleiding coaching and counseling bij het Europees instituut in Driebergen.

In Den Bosch vindt Josephine snel de weg naar Rosmalen, Empel en Heerewaarden, waar de Waal overgestoken kan worden met de Neptunus I. Tot twee keer toe is er een wegomlegging. Josephine zegt dat we er gewoon doorheen gaan fietsen. Behendig laveert ze tussen de wegafzettingen en ik volg, zowaar zonder te vallen. We kunnen op de fiets blijven zitten; we hoeven geen enkele keer af te stappen.

‘Als er in dit dorp een horecagelegenheid is, mogen we dan al koffie?’ vraag ik hoopvol. Net voordat we het dorp verlaten, zie ik een gezellige uitspanning, maar Josephine is onverbiddelijk. We hebben immers nog geen 20 kilometer afgelegd. Een paar kilometer verder begint het te regenen en ik roep dat we lekker droog hadden kunnen zitten. We trekken ons regenpak aan en m’n blote benen beginnen eindelijk op temperatuur te komen.

Heerewaarden - Varik, over de Waal
In de verte zien we de Neptunus I al liggen aan de overkant, maar er zit weinig beweging in. Als we de veerstoep naderen, maakt hij zich ineens los van de kant. Wat een impact! Terwijl we alleen nog maar komen aanfietsen en nog niet hebben geroepen of hoopvol gekeken. De werkelijkheid is banaler. Er waren fietsers die naar onze kant wilden overvaren.

Met een ruime bocht vaart de pont op de pronte dikke kerktoren van Varik aan op de Waalbandijk. Inmiddels hebben we ruim 20 kilometer afgelegd en we vragen aan de wachtenden op de veerstoep of ze weten waar we koffie kunnen drinken. ‘Daar bij die serre en ze hebben lekker appelgebak’ luidt het antwoord. Dat had ze nou niet moeten zeggen: van dat appelgebak. We zijn sterk en we negeren het heerlijk uitziende appelgebak in herberg Het Veerhuis. ‘Kijk,’ zegt Josephine, ‘zo kun je reclame maken voor je coachingspraktijk’ terwijl ze een paar folders uit de display haalt. Ik neem een paar folders mee, zodat ik me kan oriënteren op een logo en naam voor mijn praktijk.

Nu we geen appelgebak hebben genomen, moeten onze boterhammen eraan geloven. De meeste bankjes op de dijk zijn in beslag genomen door aanbiedingen van pruimen, appels en pompoenen. Een bord vermeldt “kale bassen”. Wij vragen ons af wat voor muziekinstrumenten dat zijn. We vinden uiteindelijk een leeg bankje en we kijken uit over de Waal met aan de overkant zijn zandbanken. Het waterpeil is behoorlijk laag en de schepen hebben dan ook een inhaalverbod gekregen. Ik zie een schip met de naam Aphrodite en ik vraag Josephine of ze dat een naam vindt voor mijn op te richten bedrijf. Ze verslikt zich en verzoekt me dergelijke dingen niet meer te vragen als ze net een slok soep heeft genomen. Ik vat het als een ‘nee’ op.

We vervolgen onze tocht over de Waalbandijk. Bij Neerijnen stuiten we op een derde wegomlegging. Josephine haar intuïtie zegt deze keer dat we de omleiding moeten volgen. Dat is maar goed ook, anders hadden we dit mooie kerkje niet gezien.

Herwijnen - Brakel, over de Waal
Wel is het jammer dat we de Waal niet meer in het zicht hebben. Bij Herwijnen pikken we de dijk weer op om daar de motorveerpont ‘Brakel 1’ te nemen naar Brakel. Josephine vraagt om een retourtje. Zwijgend overhandigt de pontbaas vier kwitanties. Een schip passeert met de naam ‘Fluvia’. ‘Zou dat wat zijn? vraag ik aan Josephine. ‘Als je maar niet ‘panta rei’ kiest. Ik vermoed dat dit ook een negatief antwoord is.

Op het veer is links ruimte gereserveerd voor de fietsers. Alle fietsers staan daar ook, behalve wij. Aan de overkant van de rivier steken we de pont over, zodat we aan de goede kant staan. We schuilen op een bankje in een nis tegen de koude wind.

Als we van de pont omhoog de dijk weer oprijden, zien we Het kunstwerk 'Waar is het Water' De drie beelden kijken uit over de rivier en de pont van Brakel. De beelden zijn in opdracht van het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden gemaakt door beeldend kunstenaar Hans van Eerd. Dit ter herinnering aan het omvangrijke dijkverbeteringsproject van 32 km die werd uitgevoerd na de hoogwaterevacuatie van 1995.

Onderweg naar Gorinchem zien we rechts Fort Vuren en links Slot Loevestein. Naar deze laatste blijkt nu een heuse watertaxi te varen en die komt op bestelling. Toen wij op 30 mei 2004 naar Slot Loevestein voeren, was dat met een roeiboot Hugo voortgestuwd door een buitenboordmotor.
Onze benen protesteren, maar we fietsen dapper door.

Op het station van Gorinchem blijkt het vervoer naar Dordrecht verzorgd te worden door Arriva. Een mooi treinstel, waar we de fietsen zo in kunnen rijden, zonder op te tillen. Bij de kaartjescontrole vraagt de conducteur of die mooie fietsen van ons zijn. Trots knikken wij. ‘Willen jullie ze dan aan de andere kant zetten, want ze staan nu op de invalidenplaats.’

Vanaf het metrostation is het maar 900 meter naar mijn huis. Ik rijd nu tegen de pijlen in. Drie meisjes lopen mij tegemoet. Op een gegeven moment draaien ze drie keer in te rondte en lopen weer door. Aha, 3P betekent natuurlijk drie keer een pirouette draaien. Weer wat toegevoegd aan mijn kennis van de straattaal.

Nog 56 te gaan.

dinsdag 25 augustus 2009

De Maas: waar pontjes en culinaire genoegens elkaar ontmoeten

In ons jaarlijkse fietsweekend doen we de wat verder weg gelegen pontjes. Dit jaar was Zuid-Limburg met 7 pontjes aan de beurt. Als verblijfplaats hadden we hotel-restaurant Vivendum in Dilsen-Stokkem (België) uitgekozen. In 2006 hadden we Noord-Limburg aangedaan en slechts een pontje gemist. Dit gat zouden we dit weekeinde dichtrijden. De Maas zou 3 dagen weer onze trouwe bondgenoot zijn.


Klik op de kaart voor een vergroting.

Thuis, fiets, metro, trein, fiets, veer, fiets
Om 6.23 uur verliet ik het huis om de metro naar Rotterdam Centraal te nemen, alwaar de intercity naar Blerick bij Venlo om 7.17 vertrok. Waarom zo vroeg? De fietspendelboot De Maashopper, die we op het oog hadden, vertrok om 10.00 uur vanuit Baarlo naar Afferden in Noord-Limburg. Het was de enige afvaarttijd; we hadden dus geen keus. Bij de eerste halte stappen we uit en rijden weer terug naar Blerick.

Fiets, veer, fiets, trein, fiets, veer, fiets, hotel
Eens kijken of we het gat uit 2006 kunnen dichtrijden; de motor van het pontje was toen defect. We rijden richting Rijkel met beneden ons de Maas en in de verte zien we al dat “De Vogelvlucht” vaart. Eenmaal aan de overkant in Neer knisperen onze banden over de schelpenpaadjes om te eindigen bij een boerderij, die een nieuwe bestemming heeft gekregen. Aan de banieren te zien, kun je hier nu drakenfeesten ‘beleven’.

In Roermond aangekomen, worden we aangetrokken door het terras van De Tramhalte. Koffie respectievelijk thee willen we met echte Limburgse vlaai. Helaas, die smaken naar bordkarton. We hebben nog 2 dagen om echte vlaai te eten. Even controleren waar Gerard en Jan (de jongste broer van Gerard) zich bevinden: die hebben net hun traditionele uitsmijter op en rijden nu ter hoogte van Weert. Op het station constateren we dat we net de trein van 9 over hebben gemist. Een half uurtje wachten dus voor de trein naar Echt. Deze trein valt uit en de volgende heeft 10 minuten vertraging.

Vanuit Echt is het niet ver meer naar Ohé en Laak voor de motorveerpont “De Walborgh”. Voordat we bij de veerstoep zijn, zie ik een hoge brug opdoemen. “Moeten we daar overheen?’ Josephine bevestigt het. Het fietspad gaat spiraalsgewijs omhoog en het is goed te doen. Het lijkt erop dat we ons na de brug onbesuisd naar beneden kunnen laten gaan. Een haarspeldbocht bederft het plezier en Josephine anticipeert goed op de omhoogkomende fietsers, die de bocht niet goed hadden ingeschat en zich dus op ons wegdeel bevinden.

In Ophoven (België) schrijven we de nummers op van de knooppunten om bij ons hotel te komen. De eerste stad, die we bereiken, is Maaseik. We weerstaan de terrasjes rondom het plein met een standbeeld van de gebroeders Van Eyck en rijden verder langs de Maas naar ons hotel. De teller staat dan op 67,5 kilometer. Terwijl Josephine en ik ons douchen en omkleden, kijken Gerard en Jan naar de televisie in onze grote zolderkamer. Het arrangement dat we hebben gekozen bevat een 4-gangenmenu en een 3-gangenmenu. We kiezen het 4-gangenmenu onder het motto: ‘Elke dag kan de laatste zijn.’ We zitten in de tuin, die omringd is door haagbeuken. De kleuren en schaduwen van de ondergaande zon op de oevers van de Oude Maas veranderen langzaam. Pas later op de avond moeten er vestjes gehaald worden. Gerard complimenteert de patron cuisinier, Alex Clevers, dat het eten wel een ster waard is, waarop deze fijntjes opmerkt dat hij al een Michelinster heeft sinds 2007.

Fiets, veer, fiets, veer, fiets, hotel
Zaterdag zetten we koers naar het zuiden om in de vorm van een acht de Maas een paar keer over te steken. Het water bij Berg staat zo laag dat je vanaf de veerpont zo naar de overkant zou kunnen springen. Een eindeloze klim brengt ons in de richting van Stein (Nederland); de fietsknooppunten laten ons door de straten van de dorpjes kronkelen. Op een heuvel staat een kapel; een oude vrouw loopt ernaar toe, terwijl haar echtgenoot geduldig wacht en onderwijl zijn Suzuki Alto streelt. Tussen 2 maïsvelden door bereiken we Geulle. Daar kunnen we overvaren naar Uikhoven (België).

Over een smal paadje bereiken we taveerne Udec-Hove, alwaar we een 2e poging wagen voor een vlaai. Deze bevalt beter. Jospehine stelt voor om nog een ommetje te maken, anders zijn we om 2 uur alweer thuis. We verlaten de Maas en ruilen die in voor het Pietersemsbos, de Vallei van de Zijpbeek, Onder De Berg en het Lanklaarderbos. Dat hebben we geweten. De Molenberg blijkt een hele lange klim te zijn, maar het is prachtig. In Zutendaal leggen we aan bij de dorpsherberg voor een pannenkoek. ‘Het kan wel even duren’, waarschuwt de serveerster. Dat klopt. Al met al zitten we er een uur.

Het laatste stuk fietspad is aangelegd op een oude spoorweg en we rijden in een groene tunnel; op een gegeven moment zien we zelfs de resten van een perron. Het ruikt al een beetje herfstig; de eikels schieten regelmatig onder onze banden vandaan. Als we het parkeerterrein van het hotel oprijden, staat de teller op 58,3 kilometer.
Na het opfrissen, drinken we een aperitief in de tuin en nemen genoegen met het 3-gangenmenu. Weer een heerlijk wijnarrangement erbij voor Josephine en mij.

Fiets, veer, fiets, trein, fiets, veer, fiets, Inge, fiets, trein, fiets, thuis
Zondag is alweer de terugreis aangebroken. Om 10 uur zijn we de eerste passagiers voor ‘t Veerke naar Grevenbicht (Nederland). De veerbaas geeft gas en een enorm gebonk is het gevolg. ‘Er zit waarschijnlijk een stuk hout in de schroef’, merkt hij geroutineerd op. Hij blijft proberen het hout uit de schroef te krijgen door iedere keer weer gas te geven. De stroming van de Maas is hier sterk en we drijven steeds verder af. De mensen aan de overkant kijken verbaasd naar onze capriolen. Josephine en ik zitten al te bedenken waar we dan wel de Maas over kunnen gaan. ‘Als het pontje nu niet de overkant bereikt, hebben we dit pontje dan wel of niet gedaan?’ vraagt Josephine zich af. Gelukkig hoef ik geen antwoord te geven, want de pogingen van de veerbaas hebben succes, ineens schiet er een dikke tak onder het veer vandaan.

We rijden linea recta naar Sittard om de trein naar Maastricht te nemen, waar we een oud-collega, Inge, zullen bezoeken. Vanuit Maastricht proberen we de stoptrein naar Eijsden te vinden, waar ons laatste pontje vaart. Onze zoektocht is vruchteloos en we nemen van armoede maar de trein naar Maastricht Randwijk. Al snel vinden we weer de Maas. Aan de veerbaas leggen we uit, dat we alleen maar heen en weer willen varen. Een retourtje zit er niet in, maar we krijgen wel korting. Intussen belt Josephine naar Inge om onze aanwezigheid kenbaar te maken. Afgesproken wordt, dat Inge ons tegemoet zal rijden. Ik koop nog even snel heerlijke pruimen langs de weg. En daar is Inge al op haar nieuwe fiets. Gezamenlijk rijden we naar haar huis. Het is leuk haar weer na zo’n lange tijd te zien. De gesprekken lopen van (oud-)collega’s tot André Rieux. Onder de lasagne gaat het gesprek verder.

Even na heel en half gaat de trein naar het westen. Inge weet een leuke route – deels illegaal – naar het station. Op het station blijkt dat de trein niet even na, maar even voor gaat. Snel springen we in de trein en zwaaien naar Inge door de zich sluitende deuren.

Om half acht stap ik het huis weer binnen en eet nog een paar boterhammen. Ik houd het vol om ‘Zomergasten’ helemaal uit te kijken.

Deze keer zijn er geen gaten gevallen en hebben we alle 7 pontjes gedaan.
Nog 58 te gaan.

donderdag 13 augustus 2009

Nog 65 te gaan

‘Neem een schone onderbroek en tandenborstel mee’ schreef ik aan Josephine omdat ik bang was dat de 2 pontjes die Goeree en Overflakkee met het vastenland verbinden niet op elkaar zouden aansluiten. Een overnachting sloot ik niet uit. Josephine – nuchter als altijd – schreef terug dat we via de Haringvlietbrug ook het eiland af konden komen. En zo geschiedde.

De 2 pontjes van en naar Goeree Overflakkee varen alleen maar in juli en augustus. Daarom was ik erop gebrand ze allebei te doen. Maar de afvaarttijden waren 9.30 en 15.00 uur. Hetgeen in ieder geval betekende dat we bij nacht en ontij het bed uit moesten om de eerste afvaart te halen. Om 20 voor 7 reed ik tussen de bemiste weilanden richting Rotterdam Centraal. Ondanks dat ik Gerard had beloofd voorzichtig te zijn, was ik van plan alle rode stoplichten te negeren. Wonder boven wonder sprongen ze al op groen als ik kwam aanrijden. In de stad was het zo rustig dat 2 mensen verbaasd omkeken toen ik schakelde. Het station wordt verbouwd en het is niet duidelijk wat nu stoep of trottoir was. Toen ik een agent een stap opzij zag doen, begreep ik dat ik daar niet mocht fietsen. Ik kwam er met een standje vanaf.

Zowaar trof ik Josephine aan op het fietsbalkon, dat ik had uitgekozen. In Bergen op Zoom vond Josephine snel de weg naar Steenbergen. Dat was nodig, want we hadden niet veel tijd. We reden recht op de jachthaven aan waar het pontje lag aangemeerd. Tevreden blikten we terug op de voorspoedige reis.
De vrouw van de schipper, in een mooi rood broekpak, was in haar element. Uitgebreid beantwoordde ze de vragen van de opvarenden. Haar hond Bart was ook een dankbaar gespreksonderwerp. Op haar kaartjesronde mocht de hond het bonnenboekje in zijn bek dragen. Josephine heeft een hondentrauma, die dateert uit haar postbodeverleden en zij sloeg dan ook beleefd het afgelebberde kaartje af. En toen was er koffie.

Het eerste uur voeren we tussen het riet door naar Benedensas. Deze sluis is niet meer in gebruik. Na het laden en lossen bij de sluis, gaan we de Krammer op. Ik had nog nooit van dit water gehoord. Ineens de weidsheid van het open water. Het is een drukte van belang; ook veel beroepsvaart. Voordat we Oude Tonge bereiken, komen we door een vogelgebied. Helaas we hebben onze verrekijker niet bij ons. Een medepassagier vraagt waar wij naar toe gaan fietsen en ik zeg “Spijkenisse”. Op de vraag “Hoe ver dat is?” antwoordt Josephine: 60 kilometer. Ik schrik; ik denk niet dat ik nog zoveel reserves heb. Bovendien weet ik dat we tegenwind zullen hebben.

De fietsen worden door de bemanning van boord gereden. De hond loopt daarbij verschrikkelijk in de weg, maar dat schijnt niemand te deren. Ik was natuurlijk weer de enige die zijn fiets op slot had gezet.

In Oude Tonge zoeken we een bankje op om soep en brood te eten. Dat hadden we natuurlijk ook aan boord kunnen doen, ware het niet dat de fietsen zo ingesnoerd stonden, dat we niet bij onze fietstassen konden komen. Als we nog 60 kilometer moeten fietsen, kunnen we maar beter op pad gaan. Richting Ooltgensplaat gaan we. Ik moet ineens denken aan mijn jaren (1966 – 1974) bij Martinus Nijhoff, waar je veel soorten mensen tegen het lijf liep.
Zo woonden de ouders van een van mijn collega’s in Ooltgensplaat en een collega en ik werden bij haar thuis uitgenodigd op een zaterdag. Een groter contrast tussen deze twee was niet mogelijk. Zij een boerenmeisje, hij een jongen opgegroeid in de Haagse Schilderswijk. Ik zie nog zijn glunderende gezicht voor me toen hij op de tractor mocht zitten.
Diezelfde jongen schreef – voordat hij ging telefoneren – het hele gesprek eerst uit. Hij was van huis uit geen telefoon gewend en hij wist geen andere manier te bedenken om een telefoongesprek aan te gaan. Terwijl het verder een vlotte prater was.

Op de Volkersdam rijden we tussen het Volkerak en het Haringvliet in. Voordat we de Haringvlietbrug gaan beklimmen, rusten we nog even wat uit. In de Hoekse Waard rijden we door lintdorpjes die er allemaal hetzelfde uit zien. Voor Piershil (heuvel van Pier) gaan we nog even in het gras zitten en we kijken uit op wilde bloemen langs het akkerland. Waarschijnlijk zijn deze bloemen hier gezaaid om insecten aan te trekken. Josephine merkt op dat de zonnebloemen alle kanten op staan, terwijl ze met de zon horen mee te draaien.

De veerbaas in Nieuw-Beijerland wacht tot wij de pont op zijn gereden en vaart dan pas weg. In een wip zijn we bij het metrostation van Spijkenisse. Bij Schiedam-Centrum scheidden onze wegen.

Josephine is een goede schatter van afstanden, maar toen ik thuis kwam, stond de kilometer op 63,5 kilometer. Als je daar vanaf trekt, de 11 kilometer naar Rotterdam Centraal en de 13 kilometer van Bergen op Zoom naar Steenbergen, was de afstand Oude Tonge Spijkenisse minder dan 40 kilometer.

Met een “Ik ga de afstanden voor het komende weekend in Zuid-Limburg opnieuw uitrekenen,“ nam Josephine afscheid.

Nog 65 te gaan.