zondag 9 maart 2008

Gaten dichtrijden

Toen we ergens in 1998 begonnen met samen te fietsen, waren pontjes een toevalligheid. Je vond het leuk ermee over te varen, maar verder dacht je er niet al teveel over na. Toen we eenmaal het boekje met overzetveren hadden aangeschaft, begonnen we ze ook te noteren. Maar we reden er niet gericht op. Nu we het serieuzer is geworden en we ze ook alle 200 gedaan willen hebben, moeten we heel gericht gaan rijden. Als je de vele pontjes over de Maas en Waal beziet, lijkt het heel erg simpel. Je begint in het westen en je steekt voortdurend de rivier over en binnen een paar dagen heb je ze allemaal gedaan. Twee factoren verhinderen dat.

Seizoenspontjes
De eerste, de meest hinderlijke, is het feit dat veel pontjes niet het hele jaar door varen: de zogenaamde seizoenspontjes. Sommige varen maar slechts 2 zomermaanden. Andere varen weer niet in het weekend. Aangezien de meeste pontjes in de Bijbelgordel liggen, melden we ons vaak op zondag tevergeefs aan.

Uit de vaart
Pontjes zijn ook wel eens uit de vaart door storm of reparatie. Dan valt ons hele reisschema in duigen. We eindigen dan nl. aan de verkeerde oever en moeten via een brug omrijden om weer bij een station te komen.

Hollandse Biesbosch
Later moeten we terug om dat ene pontje nog te doen. Dit noemen wij in het Pontjesreglement ‘gaten dichtrijden’. Vandaag, 2 maart 2008, gaan we zo’n gat dichtrijden. Vanaf april varen veel pontjes weer, maar het is kunst er een te vinden die in maart begint met varen. ‘Ha, hier is er een die in de voorjaarsvakantie begint.’ Alle pontjes over de Merwede hebben we gehad, maar nog niet die in de Hollandse Biesbosch. Ik schrijf nadrukkelijk de Hollandse Biesbosch; er is nl. ook een Brabantse Biesbosch, wat Gerard iedere keer weer stipuleert.

Station Dordrecht ligt gunstig ten opzichte van beide Biesboschen. Met windkracht 5 in de rug zijn we snel bij het bezoekerscentrum waar Zonnepont 7 vandaan vertrekt. Het veer ligt aangemeerd, maar gereedschap duidt er niet echt op dat hij vandaag gaat varen. Achter ons klinkt een stem “We varen vandaag niet, omdat het veel te nat aan de overkant is om te wandelen.” In mijn ooghoeken zie ik dat Josephine al aanstalten maakt om weg te lopen, maar ik besluit het erop te wagen. Ik vertel van onze queeste en als er op zijn gezicht een glimlach verschijnt en zijn ogen beginnen te glimmen, voel ik dat hij ons verzoek gaat honoreren. “Hebben jullie nog wat te doen hier?’ vraagt hij tenslotte. “We wilden even wat gaan drinken bij het paviljoen.” “Wanneer jullie daarna weer terugkomen, vaar ik even heen en weer. Hoe klinkt dat?” “Uitstekend.”

Als we achter een cappuccino (Bettie) en een warme chocolademelk zonder slagroom (Josephine) zitten, zien we steeds meer mensen de steiger oplopen. Ongerust vraag ik me af of hij zijn belofte nu wel waar kan maken. Misschien willen die andere mensen per se het Laarzenpad gaan lopen en eisen dat hij ze overzet. Maar het valt mee; ze komen voor de rondvaartboot.

Als we onze weldoener, Jan van Loon, weer op de steiger zien verschijnen, rekent Josephine snel af en we melden ons bij hem. Terwijl wij wachten tot de pont gereed is gemaakt, vertelt de kapitein van de rondvaarboot dat De Biesbosch de grootste vloot heeft, die op zonne-ernergie vaart. We waren naar de overkant en daar mogen we ook nog even aan wal stappen. Dat moet volgens het Pontjesreglement; anders geldt hij niet. Jan vertelt enthousiast over hoe mooi het hier is in de verschillende jaargetijden.

Fast Ferry
We stappen weer op de fiets om naar de waterbus te gaan, waarvan Jospehine een aanwijzing zag op de heenreis. Ineens ontdek ik dat ik mijn mobieltje kwijt ben. We vinden hem al snel bij de picknicktafel van het bezoekerscentrum. Ik weet dat de zakken van mijn regenpak te ondiep zij, maar ik trap er telkens weer in. We passeren een groep knotwilgen die diep in het water staan. Je waant je in een sprookjeslandschap, maar het gezoem van een energiecentrale brengt je weer terug in de werkelijkheid. Aan de andere kant van het fietspad staat een hoogspanningsmast en ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo dichtbij zo’n mast ben geweest.

Bij de halteplaats van de waterbus aangekomen, lezen we in de dienstregeling dat hij alleen in hoogseizoen vaart op zondag. Dan gaan we de Merwede maar oversteken en naar Sliedrecht rijden om daar de Fast Ferry naar Dordrecht te nemen. De wind staat dwars op de brug. We rijden middenop om de windvlagen tussen de spijlen op te vangen. Aan het einde van de brug vraagt Josephine of ze geen strepen op haar gezicht heeft. Ik zie niks. Dan dringt pas tot me door dat ze bedoelt dat de zon af en toe wel op haar gezicht scheen en soms (bij de spijlen) niet. Het wordt tijd dat Josephine de zonnebrandcreme weer toevoegt aan haar fietsbagage.

In Sliedrecht hoeven we maar 8 minuten op de ferry te wachten. Josephine neemt een kaartje naar Dordrecht en ik een naar Krimpen aan den IJssel. De eerstvolgende halte is: jawel, de halteplaats waar we een half uurtje eerder de dienstregeling hadden bestudeerd en geconcludeerd hadden dat hij niet werd aangedaan. Beiden stappen we in Dordrecht uit. Josephine rijdt naar het station en ik stap over op de boot naar Krimpen aan den IJssel. Voordat ik in Krimpen de boot verlaat, verhuis ik mijn huissleutels van mijn fietstas alvast naar de zak van mijn regenjack. Thuis aangekomen, zijn ze verdwenen. De 6 kilometer naar de boot leg ik in omgekeerde volgorde aan de verkeerde kant van de weg af in de hoop de sleutels weer te vinden. Helaas kan ik ze niet ontwaren en haal ik bij de buren de reservesleutels.
Een teleurstellend einde van de dag, maar we hebben wel weer een pontje gedaan vandaag en de volgende maand beginnen de meeste seizoenspontjes weer te varen en hebben we een ruimere keus.

Nog 95 te gaan.

vrijdag 29 februari 2008

Pas op meerdraden

“Waar is de reis heen, vandaag?” vraagt Gerard tijdens het ontbijt.
“Abcoude.”
“Ik zou naar Abwarme gaan, als ik jullie was,” antwoordt hij ad rem.
“Heb je gezien dat de vogels op het ijs lopen? Straks ligt het pontje weer vastgevroren,” roept hij nadat hij het tafelkleedje heeft uitgeschud.
Zoals onze trouwe lezers weten, laten wij ons door niets weerhouden.

Op het station van Gouda moet Josephine in mijn Sprinter stappen, maar dat is niet het geval. Ik pak de mobiele telefoon en vraag aan Josephine waar ze zich bevindt. Het is even stil, maar dan volgt beduusd: “Ik zit in de trein naar Gouda”. Op dat moment verlaat mijn trein het station Gouda. Met een “Dan zien we elkaar wel op het perron in Abcoude,” nemen we afscheid. Later bel ik nog een keer om te zeggen, dat ik alvast in dat gezellige koffietentje ga zitten. Maar helaas, het is een gloednieuw station geworden en er is nergens een drankgelegenheid te zien.

Hoe ging dat nu eigenlijk voordat wij allebei een mobiele telefoon hadden? Nadat we een keer tevergeefs op elkaar gewacht hadden: De een op Den Haag Centraal en de ander op Den Haag Hollands spoor, hadden we afgesproken dat als de ander er na een half uur nog niet is, ga je gewoon in je eentje fietsen. De ander kan dan ook zijn eigen plan trekken. Ook dit is vastgelegd in het Pontjesreglement.

Op de net aangeschafte fietskaart zetten we de route uit naar ‘s-Graveland. Na enige tijd ontdekken we dat we de verkeerde kant op rijden. Als we even later het oude station passeren, roepen we in koor dat op de kaart nog het oude station staat en dat we daardoor in de war waren geraakt.

We volgen de Gein en de Vecht en komen in Hinderdam. Langs het water staat een bord met de tekst “Pas op meerdraden”. Wat zijn dat nu weer? “Met die draden liggen de schepen aan de huizen vast; zie je die haken niet in de muren? Ik hoef niet te bukken, maar jij wel,” zegt Josephine. Ik zie helemaal geen draden over de weg lopen en ik besluit het thuis op te zoeken. Het zijn inderdraad kabels waarmee de schepen worden vastgelegd, maar en passant leer ik ook nog wat een kam betekent.

Even later rijden we langs het Naardermeer. Tussen een paar eenden zie ik ineens een mandarijneend. In Engeland had ik ze wel eens gezien; in Nederland echter nooit. Josephine is onverstoorbaar. Voor haar is een vogel, een vogel. Meer woorden heb je daarvoor niet nodig. Bij de Erfgooiersbrug zien we een picknicktafel in de zon en we besluiten onze eerste boterhammen te eten met een beker Rooibosthee.

We vervolgen onze weg naar het zelfbedieningsveer vlakbij de vestiging van Natuurmomumenten in ‘s-Graveland tegenover de buitenplaats ‘Schaep en Burgh’. In het bezoekerscentrum krijgen we duidelijke aanwijzingen hoe we pontje kunnen vinden. Zo’n mooi pontje hebben we nog niet eerder gezien. Ondanks dat het veer alleen voor voetgangers is, zetten we toch onze fietsen erop. Er zitten twee draaimechanieken op. Een voor heen en de andere voor de terugweg. Het handvat voor de heenweg is niet aanwezig en dat maakt het draaien erg lastig. Josephine is degene met de technische knobbel en zij probeert het handvat van de terugweg eraf te wrikken, maar het kogelgewricht blijkt met een borgpennetje vast te zitten. Met wat doorzettingsvermogen bereiken we de overkant.

Helemaal terugfietsen hebben we geen zin in en we besluiten door te fietsen naar Hilversum. We kopen een extra kaartje naar Woerden en in Utrecht splitsen zich onze wegen. Ik besluit de Intercity te nemen naar Rotterdam Alexander in plaats van de stoptrein naar Nieuwerkerk aan den IJssel. Bij de controle van de kaartjes merkt de conducteur niet op dat mijn kaartje maar tot Nieuwerkerk is. Hij knikt me zeer vriendelijk toe.

Als ik thuiskom, ga ik eerst naar de computer. Zijn er nog bestellingen binnengekomen op De vliegende theedoek? Ja, hoera weer 2.

Nog 96 te gaan.

woensdag 6 februari 2008

De nieuwe fiets

"Als het meezit heb ik m’n nieuwe fiets bij me!!!!" mailde Josephine aan de vooravond van de derde poging om De Trekschuit in Midden-Delfland te doen. Twee weken daarvoor, 13 januari 2008, was onze oorspronkelijke afspraak niet doorgegaan, omdat Josephine weer een verhaal aan haar valgeschiedenis kon toevoegen. In een droom was ze namelijk uit bed was gesprongen en had daarbij haar kleine teen gebroken.

Oorspronkelijk stond het zelfbedieningsveer over de ’s-Gravelandse Vaart tegenover de buitenplaats ‘Schaep en Burgh’ in Noord-Holland op het programma. Maar gelukkig had Josephine op tijd op de site van de NS gezien dat de treinen tussen Gouda en Woerden in dat weekend niet reden. Ze stelde voor om toch maar weer De Trekschuit te proberen. Ik had er niet zo’n zin in om weer daar naartoe te rijden, maar ja, hij moet toch een keer gedaan worden.

In de glazen kooi van de lift in het station van Schiedam zag ik de nieuwe fiets van Josephine al naar beneden komen. Een mooie helblauwe kleur. Een custom-built Santos Bike. Ze heeft nu zelfs een standaard aan het voorwiel, wat handig is als je ook bagage voorop je fiets hebt. Na de fiets uitgebreid bewonderd te hebben, geef ik aan Josephine de dvd van http://www.hollandheritage.tv/, die ik van Menno Mennes heb gekregen. Blader naar de een na laatste pagina en bekijk het filmpje “Pontje Doen”. Als je hem bestelt, zie je ook het interview met ons in onze kekke fietspakjes.

Menno hebben we in 2006 ontmoet en hier volgt een samenvatting van de lange mail die hij ons diezelfde avond nog schreef:

De meest bizarre draaidag uit mijn leven

Beste Bettie, Josephine en George,

Vandaag was zó'n bijzondere dag dat ik jullie mijn verhaal niet wil onthouden. Eerst zal ik jullie even aan elkaar voorstellen. Bettie en Josephine zijn twee zeer spontane en sportieve dames die reageerden op onze oproep om bijzondere verhalen. Zij schreven, dat ze álle pontjes in Nederland wilden bezoeken per fiets en vroegen of wij hierin geïnteresseerd waren.
George Hak hebben we via de pontschipper Richard Koops uit Culemborg opgespoord i.v.m. een heel bijzonder geschilderde oranje scooter op de spoorbrug bij Culemborg met de tekst “Klaes miss you” met een datum erop. Het bleek dat Klaes na vele jaren met deze pont 2x per dag te hebben gereisd, was overleden, en zijn medepassagiers hadden deze scooter met tekst ter herinnering op de spoorbrug geschilderd. George Hak zal voor de camera deze Klaes een "gezicht" geven. Tot zover de verschillen, maar voor ons interessant.
De overeenkomst is, dat ik jullie alle drie heb meegedeeld dat het nog even zou duren, maar dat ik er op terug zou komen.

Het gevoel wat ik aan deze dag, 3 juni 2006, heb overgehouden is er een van: hoe bestaat het, hoe is het mogelijk, dit moet door iets gestuurd zijn, dat kan niet anders (en ik ben niet religieus), want:

Eigenlijk had ik vandaag in Ghana moeten zitten om een Ghanese artiest te portretteren, die wordt geïnspireerd door Rembrandt. Dit werd mij door de geneeskundige dienst afgeraden omdat mijn gelekoortsprik al twee jaar verlopen is en een nieuwe op deze korte termijn geen bescherming biedt.

Het laatste shot was eigenlijk ook niet gepland. Ik draaide toch maar van de houten "veerstoep", omdat ik de aankomst vanaf de overkant nog wilde draaien. Op dat moment stapt er een vrouw op deze houten vlonder en ik vraag vriendelijk of ze even heel stil kan staan omdat het anders zo trilt. Toen dit shot erop stond en ik wilde inpakken staan daar twee dames... en die zeggen: "Ben jij Menno Mennes?" ik zeg: "Ja,” (en kan het nu nog niet bevatten) ik zat al te denken dat er enige gelijkenis was met de foto (dit was een foto in de winter, met muts en zo) die jullie stuurden, “maar dan zijn jullie Bettie en Josephine!" "Ja, dat klopt". Dit alles (ontmoeting met George Hak en Bettie en Josephine) op één dag... wat betekent dit?
Enfin, het aanbod van de schipper die ons eerder al koffie aanbood, wat wij dit beleefd hadden afgeslagen omdat we verder moesten, heb ik nu toch aangenomen omdat wij door dit bizarre gebeuren toch graag mee wilden varen. We hebben Bettie en Josephine uiteraard geïnterviewd, onze koffie gedronken en zijn zeer verbouwereerd naar het laatste pontje gereden, de Ut 03 bij Nigtevecht. De oogst van vandaag: 6 pontjes en twee bizarre ontmoetingen, die door allerlei foutjes en het niet doorgaan van een reis naar Ghana, vandaag hebben plaatsgevonden. Volgens mij kan dit uitsluitend betekenen dat we op de goede weg zijn en dat Pontje doen? een succes wordt waar héél veel mensen van zullen gaan genieten!

Menno Mennes

Sinds die bijzondere dag hebben we mailcontact gehouden en zo hebben we de afgelopen weken kunnen volgen hoe hij geïnterviewd is voor De Telegraaf, de radio en het blad Plus. De trailers zijn ook op YouTube gezet: Dutch Ferries http://www.youtube.com/watch?v=DBqoUPDl-lo.
Na één week stond hij al in de top 100! De trailers van “Oude vissersplaatsen” en “Windmolens” zijn ook schitterend.

Met onze ogen dicht – bij wijze van spreken – reden we richting De Trekschuit. We moesten echter eerst nog een belofte aan Ton inlossen. Hier volgt zijn commentaar op de vorige vergeefse tocht:

… Ik vind het wel jammer dat jullie niet op die stoelen zijn gaan zitten. Daar had ik graag een foto van gezien: Josephine met haar benen bungelend boven de grond en Bettie gewoon met haar voeten op de grond, met die lange stelten van haar. Maar goed, dat pontje moet toch nog een keer gedaan worden, dus kijk ik er nu al naar uit.
Ton

We kiezen allebei een stoel uit en nemen ons brood mee. Josephine neemt ook de thermoskan, bekers en theezakjes mee. Ton, kijk maar eens goed naar Josephine’s bungelende benen boven het platform en naar mijn lange stelten. Een tafel ontbrak helaas. Ik moest dus naar beneden en naar boven om thee te halen en weer naar boven klimmen. De meeste fietsers die ons passeren, negeren ons totaal, totdat er een man roept, ”Nu nog een kopje koffie erbij, dames”. Wij houden onze theebekers omhoog en hij steekt z’n duim omhoog onderwijl “Toppie” zeggend. Het uitzicht is prachtig, maar we ontkomen niet aan ons doel: De Trekschuit.

Eerst moeten we hem naar ons toehalen. Terwijl ik de pont aangetrokken houdt, zet Josephine de fietsen op de pont. Dat val niet mee, want ik krijg hem niet goed aan de kant. En Josephine heeft op haar fiets klikpedalen. Een klikpedaal is een speciale uitvoering van het pedaal van een fiets, waarbij een speciaal aan de schoen bevestigd plaatje in het pedaal wordt vastgeklikt. Lopen is door dit plaatje een hachelijke zaak. Maar het lukt en de fietsen staan op de pont. Om beurten draaien we aan het wiel. Aan de overkant gekomen, hebben we hetzelfde euvel. De pont sluit niet aan op de kant. Gelukkig komen er net twee stoere knapen aangelopen. “Met deze pont is altijd wat,” zeggen ze terwijl ze met een soepele zwaai de fietsen van de pont aftillen. Aan de overkant gaan we verder en we rijden met een grote boog weer terug naar Schiedam. In het “Vierkantje” gaan we nog even wat warms drinken. Josephine valt met fiets en al op het terras, waar ze vervolgens door een charmante ober overeind wordt geholpen. Volgens de Wikipedia gebeurt het losmaken van de klikpedalen eenvoudig door de hak nog verder naar buiten te draaien, iets wat bij valpartijen vaak al automatisch gebeurt. Zo niet bij Josephine. Vandaag is de nieuwe fiets goed ingewijd. Hij heeft kou, zon en wind getrotseerd, is op de pont geweest en gevallen. Paardenpoep heeft Josephine nog wel kunnen mijden. En hij is natuurlijk getuige geweest van ons 103de pontje.

Nog 97 te gaan.

zondag 6 januari 2008

IJsgang

Naarstig zoek ik aan de vooravond van 23 december 2007 naar de Nieuwsbrief van de Vereniging Vrienden van Voetveren waarin staat dat de Trekschuit in Midden-Delfland weer in de vaart is. Ik vind hem niet. Wel vind ik een Nieuwsbrief van juni met de volgende onheilspellende mededeling:

Vlaardingen Vlietzicht – Maasland Duifpolder (ZH18)
Het fiets- en voetveer over de Vlaardingervaart 'De Trekschuit' is dit lente- en zomerseizoen niet in de vaart. Reden hiervoor is dat de pont te veel en te vaak technische mankementen heeft. In verband met technische storingen en uit veiligheidsoverwegingen heeft de provincie Zuid-Holland besloten de zelfbedieningspont 'de Trekschuit' voorlopig uit de vaart te houden. De ketting waaraan de pont wordt voortbewogen komt regelmatig vast te zitten in de lierkast waardoor de pont niet meer voor- of achteruit kan en de ketting vaak te strak komt te staan. Dit levert onveilige situaties op bij de doorvaart van boten.

Met een “Ik weet zeker dat ik heb gelezen dat hij weer in de vaart is” ga ik toch op pad. Het station Schiedam-Centrum is een ideaal uitgangspunt voor ons beiden. Voor mij rijdt de metro er rechtstreeks naar toe en Josephine heeft een rechtstreekse verbinding met de trein vanaf Hollands Spoor.

Vanaf Schiedam fietsen we eerst richting Vlaardingen en van daaruit bereiken we Midden-Delfland. Als we onder de A 20 rijden, horen we in de verte het onmiskenbare geluid van schaatsers. Het dooit toch op dit moment? Gisteren heb ik nog heerlijk geschaatst, maar dat kan toch niet meer? De hele dag zullen schaatsgeluiden ons begeleidden.

Langs de Vlaardingervaart komen we al snel de aankondiging van De Trekschuit tegen. Recentelijk is er nog een boot door de Vlaardingervaart gegaan, maar het ziet er toch niet naar uit dat de pont hier doorheen kan. Na 250 meter zien we aan de overkant De Trekschuit liggen, muurvast in het ijs. Op 6 mei 2006 stonden we aan de andere kant en toen was hij uit de vaart.

“Als we nu naar de overkant lopen, dan hebben we hem toch gedaan?” probeert Josephine hoopvol. Ik moet toegeven dat het pontjesregelement niet voorziet in dit soort situaties. Maar dan zou het betekenen dat we in 2006 naar de overkant hadden kunnen zwemmen en we hem al af hadden kunnen strepen. “Nee, dat geldt niet.” besluit ik snel.

Ondanks dat we nog maar 13 kilometer hebben gereden, gaan we toch al een boterhammetje eten met een beker thee. Nergens is een bankje te bekennen. “Zullen we op die hoge stoelen daar in de verte gaan zitten?” Josephine voelt daar niet voor; die heeft met gewone stoelen al vaak moeite om met haar benen op de grond te komen. Die heeft al ervaring met bungelende benen. We besluiten dan maar op de veerstoep te gaan zitten met onze voeten op het ijs. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt. Bovendien hebben we zo ook goed uitzicht op De Trekschuit.

Vervolgens rijden we via het Abtwoudse Bos weer terug naar Schiedam. De lunchroom, die een vrouw op leeftijd ons aanbeveelt, kunnen we niet vinden. Als we langs het Stedelijk museum lopen, besluiten we daar maar wat te drinken. Hete chocoloade voor Josephine, voor mij een cappuccino décaf. We blijven een hele tijd zitten kletsen en wanneer we weer buiten komen, is het aardig koud geworden.

De vaste lezers denken misschien wel: “Wat een teleurstelling weer”. Maar wij hebben onze beweging gehad in de frisse lucht en daar zijn we altijd tevreden over. Anders hadden we maar een beetje op de bank gehangen. Bovendien weten we de volgende keer, snel deze pontjes te vinden.

Statistisch gezien, is 2007 een goed pontjesjaar geweest. Kijk maar eens naar deze tabel:

1998 6
1999 1
2000 0
2001 2
2002 7
2003 14
2004 8
2005 16
2006 33
2007 15
------------------------
Totaal 102

Maar... nog steeds 98 te gaan.

zondag 2 december 2007

Korendijkse slikken

Naarmate we meer pontjes hebben gedaan, moeten we steeds gerichter gaan rijden. Zo moeten we in de gaten houden in welk seizoen de pontjes varen. Sommige pontjes varen alleen hoogzomer. Sinds 2007 kijk ik eerst welke pontjes die maand varen. Zou ik er nog een kunnen vinden, die in november nog vaart? Jawel. De vaarperiode van het voetveer in de Korendijkse slikken bij Goudswaard is van 1 juli tot 1 december. Dat was dus ons doel op zondag 11 november 2007. Op het bijgevoegde kaartje van Google maps op de site van de Vereniging van Vrienden van de Voetveren is duidelijk te zien dat we kreek konden benaderen op de hoek van de Westdijk en de Oudendijk. Dat moet niet moeilijk zijn te vinden, dachten wij.

Vanaf het metrostation in Spijkenisse is Goudswaard makkelijk aan te rijden. De Noordwestenwind met kracht vijf blies ons snel naar de eerste pont over het Spui naar Nieuw-Beijerland. De laatste meters naar het veer hadden we de wind ineens van opzij. Dat was even schrikken, maar we bleven overeind. Het motorveer “The Queen Jacqueline” hadden we al geturfd op 30 oktober 2004. In Nieuw-Beijerland probeerden we nog bij een hotel koffie te drinken, maar het was gesloten en de eigenaar vertelde ons dat we voorlopig niets zouden tegenkomen. Daar waren wij op voorbereid. De meeste pontjes liggen in de Bible belt en je weet dat je op zondag nergens terecht kunt.
Het eerste stuk kunnen we redelijk beschut achter een dijk rijden, maar algauw komen we bovenop een dijk te rijden. Zolang we schuin voor de wind hebben, gaat dat prima. We hebben een mooi uitzicht over het landschap en het lijkt wel of elk dorpje een molen heeft. Op de kruising van de Westdijk en Oudendijk aangekomen, blijkt dat we toch iets te ver zijn gereden. In het huisje van Natuurmonumenten gaan we eerst maar eens een boterhammetje eten met thee uit de thermoskan van Josephine, zodat we moed kunnen verzamelen, voordat we schuin tegen de wind teruggaan. Ik houd mijn thermoskan nog even bij me, zodat ik wat meer gewicht heb, als de wind probeert mij van de dijk af te blazen. De weerman had al gewaarschuwd dat de wind vlagerig zou zijn. We rijden midden op de dijk om te voorkomen dat we bij een windvlaag in het prikkeldraad worden geblazen. Het gaat goed, totdat ik een hand van het stuur haal. De wind blaast me meteen het gras in. Ik blijf overeind.

Het bordje van Natuurmonumenten adviseert om laarzen mee te nemen als je de wandeling in de Korendijkse slikken gaat maken. Die hebben we niet bij ons. We wandelen welgemoed in de richting van de kreek. De plassen kunnen we ontwijken, totdat het pad zelf een kreek wordt. Met een “ik ga niet weer mijn sokken uittrekken” draait Josephine zich om. “Wel je schoenen?” vraag ik nog, maar Josephine reageert wijselijk niet. “Deze kunnen we afstrepen,” zegt Jospehine even later op de terugweg. “Nee, natuurlijk niet,” werp ik tegen.
“In juli in een droge zomer wil ik het nog wel weer een keer proberen.”
“Dat is afgesproken.”

We fietsen weer terug en in Goudswaard gaan we bij de beschutte haven in het zonnetje nog een bammetje eten. Ondanks dat het nog geen vier uur is, nemen we toch een Cup-a-soup met heet water uit de tweede thermoskan. Als we Nieuw-Beijerland naderen, zien we dat het daar al regent, terwijl wij nog in de zon rijden.

In de metro naar huis constateren we dat het toch mooier weer was dan voorspeld. In plaats van 80% regen, schatten we dat we voor 20% in de regen hebben gereden. En dat de zon zich ook van zijn beste zijde heeft laten zien.

Nog steeds 98 te gaan.

maandag 5 november 2007

De Hoofdige Boer

De vaste lezers weten dat Josephine en ik snel bezwijken voor verleidingen, zoals een pannenkoek, een terras of een treinstation. De uitnodiging van oud-collega, Arina om eens in de Achterhoek te komen logeren, grepen wij dan ook met beide handen aan. We begonnen met data te prikken in juni en kwamen uiteindelijk uit op 19 en 20 oktober.

Zijn er eigenlijk pontjes in de Achterhoek? Nee, of toch wel, een over de Berkel. Josephine rekent al snel uit dat we dan met de trein naar Zutphen kunnen gaan en van daaruit eerst het pontje kunnen doen.

De fietskaart uit 2005 is een beetje gescheurd op de vouwen, maar biedt voldoende houvast voor de te rijden route. Voor Almen steken we de Berkel over in de hoop op deze wijze vanzelf het veer tegen te komen. In Almen komen we bij de kerk het beroemde gedicht ‘De Hoofdige Boer’ van Staring tegen. Daar beschrijft hij de wekelijkse gang naar het Almense kerkje:

Men raakte in zweet op ‘t lange pad
Men vatte kou in ‘t modderbad
En de ijver om ter kerke te gaan
bracht buikpijn en geen stichting aan

Bij de Hoofdige (= koppige) Boer naast de kerk worden we uitgenodigd voor een kopje koffie, maar dat mag nog niet. We hebben nog geen 20 kilometer afgelegd. Het eerste kopje koffie mag nl. pas na 20 kilometer genuttigd worden. Deze regel is ingesteld omdat we anders van terras naar terras fietsen en onze gestelde doelen niet halen.

Na Almen komen we bij een mooie ophaalbrug. We zien voorzieningen om kano’s aan land te halen en weer na de stuw te water te laten, maar geen pontje. Met een “dan zal hij wel opgeheven zijn” fietsen we weer verder. Als we het landgoed Velhorst net verlaten hebben, zien we een uitnodigend bankje. We eten een boterhammetje en een Snelle Jelle en we mijmeren zo nog wat over het niet gevonden pontje. Mijn intuïtie zegt dat het pontje er toch moet zijn. Ik besluit het nummer van het kantoor Graafschap van de Vereniging Natuurmonumenten te bellen. De hoorn wordt opgenomen, maar na enig geschuifel wordt de verbinding verbroken. Waarschijnlijk een peuter die de telefoon opneemt en weer neerlegt. Na drie keer proberen heb ik ineens mama aan de lijn. Ze weet het antwoord niet, maar ze zal het eens vragen aan haar collega’s. Prompt komt er een jongeman aan de lijn die duidelijk tekst en uitleg geeft. We moeten een paar honderd meter terug en dan rechtsaf slaan en na een slagboom rechtsaf langs de Berkel gaan.

Het pad langs de Berkel blijkt een voetpad te zijn. We wagen het erop. Het fietsen gaat zwaarder en zwaarder. Het lijkt of we de hele aarde aan onze fiets hebben hangen. Na ruim een kilometer bereiken we hijgend het pontje. Aan de overkant ontwaren we de Koepel van Staring. Ondanks het feit dat het een voetveer is, zetten we onze fietsen er toch op. Op de kaart staat aan de overkant een weg afgebeeld; we moeten onze weg dus kunnen vervolgen. Aan de overkant de fietsen er weer af, een klaphekje door, een weiland oversteken en nog een klaphek, maar nu met een uitgesleten trapje erbij. De koepel is helaas gesloten. We lopen erom heen. We proberen links en rechts een uitweg te vinden. Aan alle kanten lopen we vast op gesloten hekken en prikkeldraad. Dan maar weer dezelfde weg terug.De hindernissen verwerken we nu in de omgekeerde volgorde. Al met al zijn we een uur verder als we het bankje weer passeren. Maar goed, missie geslaagd.

We vervolgen onze weg naar Winterswijk en doen een tussensprintje met de trein. Het vervoer wordt hier verzorgd door Syntus. Wat een luxe! De instap is gelijk aan het perron. We kunnen onze fietsen er zo in rijden. Er is zelfs een gordel waar je je fiets mee kunt vastzetten. Bij het volgende station stappen we uit en we vervolgen onze weg over een niet meer in gebruik zijnde spoorweg. De laatste 10 minuten krijgen we nog een bui op onze kop.

‘s Avonds genieten we van een heerlijke preitaart. Hiermee heeft de heer des huizes, Martijn, ooit Arina verleid. Josephine en ik kunnen ons dat wel voorstellen.

De volgende dag worden we aan de ontbijttafel begroet met een “Het is buiten 1°C.” Daar schrikken wij niet van. Wij zijn altijd voorbereid op alle soorten weersomstandigheden. Met handschoenen aan vertrekken we richting Doetinchem. We komen al snel in Bredevoort, het bekende boekenstadje.

Verder voert onze tocht door het kleinschalige landschap van de oostelijke Achterhoek. Prachtige zandwegen, fraaie houtwallen langs eeuwenoude essen met goed onderhouden Saskische boerderijen met houten topgevels. Aalten is net als Rome op zeven heuvels gebouwd. De afwisseling tussen het zwak golvende landschap met daartussen kronkelende beken geeft het gebied een sfeer van harmonie en schoonheid.

Zodra we het spoor over rijden in Doetinchem, is het gedaan met de schoonheid. Beton overheerst, maar wij kijken tevreden terug op onze tocht.

Een pontje gedaan, nog 98 te gaan.

dinsdag 4 september 2007

“Eet maar rustig je pannenkoek op ...

dan kom ik jullie over een uur halen” riep de pontbaas. “Helemaal niet, we zitten hier al 40 minuten en we willen ons label niet opgeven.” Josephine propt gauw de laatste happen in haar mond. Ik rol de rest van mijn pannenkoek in een servetje.

Labels
Het was voor het eerst dat we de methode van labels tegenkwamen. Toen we aankwamen zaten er nog een paar labels in het bakje en inmiddels waren er meer mensen gearriveerd dan er labels waren.
Met z’n twaalven zitten we gezellig rond de pontbaas. De pontbaas vertelt dat hij in deze zomer een keer heeft meegemaakt dat hij op 80 keer varen, slechts 1 passagier had. Een oudere man schept op over z’n fiets met hulpmotor en dat hij daarmee 4.500 km per jaar rijdt. Achteloos bedekken wij onze kilometerteller waar slechts ruim 1.000 op staat.

Vanochtend zijn we om 11 uur op het station van Ermelo gestart met ons jaarlijkse fietsweekend. Bij strand Nulde zijn we het het Horsterveer overgevaren naar Zeewolde. Een ongezellig veer met ongelooflijk veel ruimte onderin voor de fietsen. Met aan de ene zijde Flevoland en aan de andere het Veluwemeer zijn we naar het volgende veer gefietst, waarmee het verhaal aanving.

Aangekomen in Nunspeet, gooit de pontbaas de 12 gele labels weer in het bakje voor de volgende overtocht. Er moeten nog mensen achterblijven, maar zo te zien, vinden ze dat niet erg. Het is immers prachtig weer. Josephine heeft de route via de fietsknooppunten al uitgestippeld. Alle nummers staan op een blaadje onder elkaar bovenop haar fietstas. Het is heel ontspannen rijden. Je volgt gewoon de bordjes en bij een volgend knooppunt roept Josephine het volgende nummer. Op sommige stukken rijden er behoorlijk veel fietsers en even later fietsen we weer helemaal alleen.

IJzeren paarden
De volgende dag staan 3 pontjes over de IJssel op het programma. “Het wordt een zware dag” kondigt Josephine aan. Als ik de rijtjes met knooppunten voor vandaag zie staan, zakt de moed mij in de schoenen. “Reken maar op 70 kilometer” waarschuwt Josephine. “Dan moeten we onze eerste stop pas na 30 kilometer doen.” Eigenlijk moet je je eerste stop op twee derde doen.” Na enig rekenwerk kom ik uit op 46 kilometer. Naar het eerste pontje is het 27,5 kilometer. We vinden dat een mooi punt om pauze te nemen. Bij Hattem aangekomen, blijkt net de Eneco-tour langs te zijn geweest en we wurmen ons tussen de toeschouwers door die zich verspreiden. In Hattem zelf wordt de Hertog van Gelre binnengehaald. We stappen af. “Kijk, ijzeren paarden” zegt een ruiter in het gevolg van de hertog, als hij ons ziet. Bij een authentieke oven kopen we een krakeling en we hopen dat hij vers is en niet uit de Middeleeuwen.

Hoge waterstand
De mensen die van de eerste pont over de IJssel afstappen, waarschuwen ons dat het aan de overkant heel drassig is. We lachen een beetje ongelovig en stappen aan boord. Aan de overkant zien we dat het toch wel serieus is. Iedereen begint nu zijn schoenen en sokken uit te doen en de broekspijpen op te rollen. De vraag is: “Haal je de de overkant, als je hard fietst?” Het lukt verschillende mensen en ik waag het er ook op. Ineens stopt het meisje voor mij, maar ik zie door het heldere water dat de betonplaten breed genoeg zijn om haar te passeren. Met gejuich word ik ontvangen op het droge. Het water is opgespat tot aan mijn kruis, maar het droogt snel. Josephine laat zich niet gek maken. Die schrijdt rustig door het water. Dan zijn de wachtenden aan de beurt om de oversteek te wagen. Sommigen doen dat al fietsend, maar de meesten lopen. Als er een klein meisje valt, stijgt er een “ach” op.

Het kabelmotorveer “Het Wijhese Veer”. voor alle verkeer van Wijhe naar Vorchten, is een veer van duizend in dozijn, zodat we vergeten het te fotograferen. Terwijl ik pruimen koop bij een tafel met een blikje als kassa, maakt Josephine achteraf nog een foto. In de verte zie ik een bekend figuur aankomen en jawel hoor: “Het is Gert Meydam, directeur van STIPP te Deventer”. We fietsen verder door de buitenwaarden en opeens is het fietspad afgesloten, maar er rijden twee mensen om de afzetting heen. “Een klein beetje water, meer niet” roept een van hen. We rijden door en inderdaad: een lange plas en daarna nog een, maar wij kunnen nu alles aan.

Kozakkenveer
Omdat we nog een lange rit naar huis voor de boeg hebben, besluiten we nog een pannenkoek te eten. Josephine overhandigt mij meteen de flacon met crazy stroop met de woorden: “Dat lijkt me echt iets voor jou.” Ik schilder een apenkop.
Terwijl we staan te wachten op het Kozakkenveer, vertelt een vrouw dat het waterpeil het weer toelaat om te varen. Wel is er een voorziening getroffen met een rij pallets om het veer goed te kunnen bereiken. Het naam Kozakkenveer herinnert aan de kozakken die in 1813 ons kwamen bevrijden van de Fransen. Op dit smalle stuk in de rivier werd een schipbrug aangelegd van ruim twintig beurtschepen, waar de kozakken met paard en al overheen konden marcheren.

Mobiele ijssalon Jan Rozeboom
Josephine heeft hier eerder gefietst en ze heeft mij al lekker gemaakt dat 5 kilometer voor ons eindpunt een grote ijskraam staat, midden in het bos. Op het moment dat we arriveren, vliegt er een insect in mijn mond. Terwijl ik hem naar buiten werk, steekt de wesp nog gauw in mijn tong. De angel heb ik er snel uit, maar de pijn wordt almaar erger. We lopen snel naar de ijskraam en ik roep gauw: “Twee bolletjes, groen en roze.” Haastig steek ik mijn tong in het ijsje en langzaam begint de pijn weg te ebben. Was het nu toeval dat die wesp op deze plaats mijn mond invloog of was die wesp er, omdat die ijskar er stond?

Aan het eind van de dag staat er 79,5 kilometer op de teller.

De volgende dag vertrekken we op ons gemak naar het laatste pontje van dit weekend: het kabelmotorveer “Het Wijhese Veer” over de IJssel. Met dit veer zijn we over de helft! Nog 99 te gaan.