vrijdag 29 augustus 2014

Drenthe: Op de grens van het zand en het veen

Tot een paar jaar geleden waren er geen pontjes in Drenthe en ineens zijn er vier. Aanleiding voor ons om daar eens poolshoogte te nemen.
Onwillekeurig denk je bij deze provincie aan heide, veen, schapen, brinken en dorpen. Dit weekend gaan wij controleren of dit beeld nog klopt.

Zwolle als startpunt

Niet alleen in Drenthe zijn er nieuwe pontjes. Ook in Overijssel zijn er vijf bijgekomen. We nemen daarom dit weekend het zelfbedieningskabelveerpont in de stad mee. Goed verscholen tussen bomen, struikgewas en braamstruiken ligt het pontje op ons te wachten. Meestal glijdt zo’n voertuig soepel naar je toe, maar deze rust op een paar tonnen en schommelt bij elke ruk aan het touw. ‘Voel jij je ook duizelig?’ vraagt Josephine. Inderdaad, het lijkt of we een zeereis achter de rug hebben, als we weer aan de wal staan.
In het Doepark Nooterhof aan de Goertjesweg over de Zandwetering

Het Reestdal

We fietsen naar het noorden. De rivier De Reest stroomt op de grens van Overijssel en Drenthe. Daar moet ergens het volgende pontje liggen. Google Maps geeft aan dat het rechts van de A 32 moet liggen. Bij het informatiebord van het Reestdal worden we niet veel wijzer. Het pontje staat er niet op. Zouden we dit zandpad af moeten? Jongelui komen zwabberend over het zandpad aan fietsen. Blijkbaar is het te fietsen. We stappen op. De sporen van de fietsers voor ons geven precies aan waar het zand mul is. We slalommen om deze plekken heen en komen zonder te vallen bij het voetpad naar de veerstoep.

Het zandpad De Reestouwe
Parallel aan de A32 trekken wij onszelf naar de overkant van De Reest

Buitenherberg Ter Linde

We willen het zandpad mijden en rijden de andere kant op om vervolgens weer op het beginpunt uit te komen.
Het vriendelijke gespetter is inmiddels overgegaan in pijpenstelen. Langs de Hoogeveensche Vaart rijden we naar Zuidwolde waar we een hotel hebben geboekt. Af ten toe rusten we wat uit en eten een boterham, die we met de hand moeten bedekken om hem droog te houden. Na 75 kilometer – vanaf Zwolle – komen we aan als twee verzopen katten. Er is een bruiloft aan de gang. De bruiloftsgasten kijken verbijsterd naar ons. Gerard, die met de auto is gekomen, heeft medelijden met ons.
Op de kamer spreiden we de natte spullen uit in de hoop dat ze morgen weer droog zijn. Van de geprinte beschrijvingen van de pontjes is niet veel meer over. M’n onderbroek is oranje gekleurd door het oranje ‘zeemleren’ kruis in mijn fietsbroek.


Elim

Goed gemutst, ondanks de hier en daar nog klamme kleding, gaan we op weg naar Klazienaveen voor het derde pontje. We merken dat we niet echt opschieten. Door de turfafgravingen zijn er veel langwerpige velden, waar we omheen moeten rijden. We kunnen niet doorsteken. In het plaatsje Elim vinden we de eerste horecagelegenheid.
De naam Elim komt uit het Oude Testament: de oase waar de Israëlieten verbleven na hun tocht door de Rode Zee. Het voelt voor ons een beetje als een oase. Het is nog droog en we zitten in de zon. Het café blijkt de stempelpost van de fietsclub De Peddelaars te zijn. Twee mannen in rood/gele fietskledij zitten aan de stamtafel en ik vraag af ze al gestempeld hebben. Nee, dat hebben ze nog niet. Aan hun gemoedelijke buikjes te zien, zijn ze niet zo fanatiek.

Toerboekje

In de jaren zeventig was ik lid van een fietsclub. Elke zaterdag reden we zo’n 100 kilometer in groepsverband. In de vrije weekenden kon je langs stempelplaatsen (horecagelegenheden) rijden en zo aantonen hoeveel kilometer je had gefietst. Aan het einde van het jaar moest je het toerboekje inleveren en op het eindejaarsfeest werd bekend gemaakt wie de meeste kilometers dat jaar had gereden. Voor sommige leden was dit heel belangrijk.
Op zo’n vrij weekend reden ze in alle vroegte langs de stempelposten om later op de dag in gewone kleren op het terras te kunnen zitten. Naaste concurrenten dachten dan dat hij dat weekend niet reed en rekenden zich rijk.
Ik vertel dit verhaal aan de twee mannen. Nee, zo fanatiek waren zij niet.

Even later staat een van de twee met een beïnkte stempel aan onze tafel met de vraag waar hij de stempel moet zetten. Ik heb al jaren geen toerboekje meer. We laten hem op onze fietskaart stempelen.

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald

Josephine kijkt op de kaart en vervolgens naar de donkere wolken. ‘Ik denk dat Klazienaveen voor vandaag te ver is. Laten we met een boog terugrijden en het pontje doen dat we gisteren vanwege de regen hebben overgeslagen. Te meer daar we voortdurend om moeten rijden omdat er geen dwarswegen zijn.’ Dat lijkt me een goed plan.
Hoe zullen we verder gaan?

Hebben we tot op heden veel weilanden gezien, nu rijden we over smalle paadjes in kleine bospercelen. Het gaat weer regenen. Via Zuideropgaande, Nieuw Moscou, Kerkenveld, Alteveer en Linde komen we bij het plaatsje Fort. Fort betekent een doorwaadbare plaats. Dat is altijd een goede aanwijzing dat het pontje niet ver weg kan zijn.





Vanaf de Brink rijden we richting Bloemberg en ineens zien we het bordje ‘Wandelroute -> naar het pontje’. Het graspad ziet er berijdbaar uit. En... hoera, het is weer droog.


Het pontje over de Reestvervangende leiding.



Aan weerszijden zit een schapenkop. Aan de ene kant een ram en aan de andere een ooi.


Beilerdingspilroute

In de middeleeuwen waren de boerschappen verenigd in grotere bestuurseenheden: de dingspelen. De oudste kerkelijke eenheden (parochies) die later werden gesplitst in meerdere kerspelen. Beilen is zo’n kerspeldorp, dat wil zeggen een dorp waar als vanouds de kerk stond.
Daar gaan we vandaag op de trein stappen naar huis. Maar eerst nog een mooie tocht over het Echternerveld en de Dwingeloosche Heide. We verlaten het beekdallandschap met weidelanden en veenafgravingen met kanalen en vaarten en komen zo op de hogere zandgronden. In Echten zien we voor het eerst een ouderwetse plaggenhut.



Een plaggenhut in Echten.


Josephine vertelt over haar grootvader, die in Drenthe de pacht moest innen. Op de fiets reed hij van plaggenhut naar plaggenhut. Op een gegeven moment hoort hij achter zich roepen: ‘Hé, u reed over ons huis heen!’ Toen hij omkeek, zag hij dat de hut zo laag was, dat hij hem helemaal niet gezien had.

Dwingeloosche heide

Het hele weekend zijn we geen vrijetijdsfietsers tegengekomen. Op de heide moeten we ineens file rijden. Dat is snel afgelopen als er ineens een bui losbarst. We schuilen in een hut.


Het hele gebied is bezaaid met een honderdtal kleine en grote vennen.


Vreemd genoeg staat het Oranjekanaal niet op de fietsknooppuntkaarten. We schatten dat het ergens boven Beilen moet liggen. In Hijken vragen we het even. ‘Deze weg in en voor de Holle Brug rechtsaf. Maar ik weet niet of hij er ligt.’ Bij doorvragen bleek ze te bedoelen dat ze niet wist of hij aan deze of gene zijde van het kanaal lag. Bij aankomst blijkt hij aan gene zijde te liggen. 
Drie van de vier pontjes van dit weekend lagen aan gene zijde.
Ik maak wat foto’s voor de website van de Vrienden van de voetveren. Het pontje is zo nieuw dat er nog geen foto is ingestuurd.

Een prachtig achtkantig hekwerk rond de pont.

Wat is mij bijgebleven van Drenthe? Veel paarden en koeien, mooie vergezichten, lange rechte wegen, klinkerwegen en zandpaden, berken en eiken, weinig brinken, nauwelijks schapen. En het was vooral nat en koud (maximaal 17 graden). Maar toch hebben we 184 kilometer afgelegd.

Vier pontje gedaan, nog 49 te gaan.

22, 23 en 24 augustus 2014

maandag 4 augustus 2014

Het gaat goed met de pontjes

‘Hallo Bettie, klopt het dat ik je zojuist op televisie hebt gezien?’ Ik herken de stem van een lid van de golfclub.
Ik moet even nadenken. ‘Ging het over pontjes?’ ‘Ja.’
De spreker aan de andere kant van de lijn vertelt dat hij het filmpje op Nostalgienet had gezien.
Hij zal wel doelen op de opname van TV-West een paar jaar geleden. Regelmatig merken vrienden of kennissen op dat ze me gezien hebben op een regionale zender.
Josephine en ik zijn niet slim geweest; we hadden een percentage moeten vragen elke keer als hij werd uitgezonden.

Klik in de rechterkolom op het driehoekje in de foto 'Geen pontje wordt gemist' om het filmpje te zien.

De Zaanboot

Vandaag gaan we op pad zonder filmploeg. Achter Amsterdam CS varen de ponten naar de overkant af en aan, maar wij zijn op zoek naar de Zaanboot. We zitten op steiger 14 te wachten, terwijl deze langzaam vol loopt. Hadden we moeten reserveren? We blijven rustig zitten. Om half twaalf komt het IJveer XI aan. Helemaal volgeladen en het duurt enige tijd voordat iedereen er af is. Wij blijven zitten als doorgewinterde pontjesvaarders. Hij vaart toch niet weg voordat iedereen aan boord is.

IJveer XI op het IJ
Links en rechts de bedrijvigheid van de havens. Gelukkig geen gids die zegt wat we links en rechts behoren te zien. Alleen het gezellige gepruttel van de dieselmotor horen we.



In Zaandam moeten we met de fiets in een gootje een steile trap op om op de weg te komen. We halen het net. Met de geur van cacao in onze neus fietsen we langs de Zaan. We rijden het veenplassengebied Het Twiske in. Een afwisselend landschap met langgerekte weilanden en bosjes. Het water is nooit ver weg. Via het Ilperveld rijden we Amsterdam-Noord binnen om de pontjes in het Schellingerwouderpark te zoeken. Maar eerst een ijsje…

Op he toilet in de ijszaak hangt een poster


De logica tussen de twee boodschappen ontgaat mij.

Zoeken, zoeken en nog eens zoeken

De aanwijzingen waar de pontjes liggen, waren niet zo duidelijk, maar we hebben een Nederlandse mond en vragen staat vrij. Normaal gesproken zijn er niet veel pontjes in buurt waar wij zoeken. De aangesprokenen antwoorden in onvervalst Amsterdam dat ze hier niet bekend zijn, maar dat die pontjes daar ergens moeten liggen. Meestal bedoelen ze de vele veren achter het centraal station van Amsterdam. Nadat we het hele park doorkruist hebben, geven we het op. Het wordt al laat.

's Avonds in het journaal

Veerpontjes. Je zou denken dat ze langzaam verdwijnen, maar niets is minder waar. Want in drie jaar zijn er bijna 30 fiets- en voetveren bijgekomen. Dus deze conclusie kun je trekken. Gerdo Goudriaan van de Vrienden van de Voetveren:

‘Het gaat goed met de pontjes! Ja, we zitten nu op 300 pontjes en we zijn van een dieptepunt gekomen: van 215 pontjes zo rond 1980. Dus er is een enorme stijgende lijn in te zien. Dat heeft alles te maken met de toenemende recreatie, maar ook het bewustzijn dat we een waterrijk land zijn. En dat daar pontjes bij horen. Behalve dat het nuttig is; het is gewoon lekker op het water. Het is heerlijk en je geeft je even over.’
Het gaat vooral om pontjes in toeristische gebieden, bijvoorbeeld over het Reitdiep in de kop van Groningen. Daar werd in nieuw pontje in gebruik genomen met 60 vrijwilligers als bemanning. (Een instructie voor het varen volgt voor de vrijwilligers). Volgend jaar komt hij in de vaart.

De trouwe lezer begrijpt dat wij door de voortdurende toename van pontjes nog vele jaren bezig zullen zijn.

Eén pontje gedaan, nog 53, of eigenlijk 83 te gaan.

donderdag 22 mei 2014

Verbindingen


 Buiten de verbinding tussen twee oevers, die door een pontje overbrugd worden, zijn er ook nog sociale verbindingen. Vandaag gaan we die twee samenbrengen.

Op de reünie van scouting had ik Tonny de Graaf weer ontmoet waarmee ik in 1975 de fietsvierdaagse van Borculo had gedaan. We haalden herinneringen op.

Fietsvierdaagse van Borculo in 1975

De achterbank had ik uit mijn lelijke eend gehaald en onze fietsen lagen oncomfortabel boven op elkaar achter ons. Tonny haar moeder had nog zorgzaam wat kussentjes ertussen gestopt, zodat we bij een noodstop niet ineens de fietssturen in ons nek hadden. Wij op weg.
Plotseling kruiste een spoor de provinciale weg en de alarmbellen rinkelden en het rode licht knipperde. Ik stopte en we verbaasden ons erover dat we geen spoorbomen zagen. ‘Hoor jij dat ook?’ Heel zachtjes hoorden we ‘boem, boem, boem’ in een mooie cadans. Ineens ging ons een licht op. We stapten uit. En ja hoor, we stonden onder de spoorbomen die op het linnen dakje bonsden.

Tonny woont weer in Groningen, haar geboortestad. Ze nodigde ons uit om het pontje bij Noordlaren te doen samen met haar. Nu combineren we wel vaker pontjestochten met bezoeken aan mensen die we kennen. Oud-collega Arina Vermaas in Winterswijk, Inge van ’t Spijker in Maastricht en Gea Boschma in Haarlem waren haar voorgegaan.

Intercity naar Groningen

Tot mijn verbazing bestond de intercity maar uit één treinstel. En dus maar één fietsbalkon. Op dit balkon stonden al acht fietsen met hun baasjes. Ik kon niet anders dan instappen en me niet meer verroeren. Even controleren. Wie moet er waar uit. Twee jongens bij Hollands spoor. Mooi, dan kan Josephine er weer bij. Een man en een vrouw bij Leiden. Een ouder echtpaar in Amsterdam. Twee dames reden ook mee naar Groningen.




Als haringen in een ton

Tussen de fietsen door zaten nog een paar lopers voor de marathon van Leiden. Pas na Amsterdam waren we met z’n vieren over en konden we een zitplaats gaan zoeken.

Groningen

Op het perron stond Tonny ons al op te wachten. We rijden gezwind de stad uit en komen al snel in het prachtige natuurgebied Meerwijck. Deze oude veenafgraving vormt een onderdeel van de ecologische verbinding tussen de Drentse A, het Hunzedal en Westerbroek. Het bestaat uit moerasbos van elzen en ruigtekruiden. Enkele oude dichtgegroeide petgaten zijn opnieuw uitgegraven om moerasplanten een kans te geven. Veel watervogels en Schotse Hooglanders. Een marter schiet de berm in. We slalommen om de harige rupsen (van de Grote beervlinder?) heen die in een rap tempo over het fietspad lopen.

Hoeveel mensen passen er op een veerpont?


‘Let op! Max. 10 personen op de pont’ waarschuwt een bordje op de zelfbedieningskettingveerpont. Daar trekt niemand zich iets van aan. En wie toevallig bij het draaiwiel staat, is aan de beurt om te draaien. De achterste sluit de ketting. In een vloek en een zucht zijn we aan de overkant.
‘We kunnen hier koffie drinken of even verderop,’ kondigt Tonny aan. Nog maar even doorfietsen, want we kennen onszelf. Als we eenmaal zitten, zijn we moeilijk weer in beweging te krijgen. In de tuin van Herberg De Blankehoeve halen we herinneringen op aan de fietsvierdaagse.


Hoe zat het ook al weer?


‘Hoeveel fietsten we op een dag?’ ‘Honderd kilometer.’ ‘En dat op een gewone fiets!’

‘Herinner je nog die jongen, Bart, die achter mij aanzat?’ ‘Ja, nu je het zegt: een leuke knul met krullen.’ ‘Precies, ik heb nog een tijdje met hem gecorrespondeerd. Het was trouwens de eerste jongen die achter me aan zat. Ik vond het wel spannend. Maar ik had jou als chaperonne bij me. Er kon me dus niets gebeuren.’

‘Wat moet ik er trouwens van denken dat een van je zonen Bart heet?’ ‘Dat heeft daar niets mee te maken; ik heb het altijd een mooie naam gevonden. En toevallig heet mijn zwager Bart; zo was het vernoemen ook gelijk geregeld.’

‘Kookten we eigenlijk zelf?’ ‘Ja, we hadden een camping-gazstelletje bij ons. De tent hadden we van de scoutgroep Satoko Kitahara geleend.’

‘Ik weet er eigenlijk niks meer van. Wel, dat zo mijn liefde voor het fietsen is ontstaan.’

Haren


1975
2014

Via de prachtige villawijk van Haren fietsen we terug naar het station. Ik wil nog wel graag een foto van toen herhalen. We rijden wat heen en weer om een soortgelijke achtergrond te vinden. Een brede deur met een boog. Een mevrouw biedt uitkomst: ‘Als je hier terugrijdt, linksaf slaat en daarna rechtsaf, vind je zo’n deur. De bewoners zijn niet thuis. Bij het huis aangekomen, zien we verschillende auto’s staan. Maar we wagen het erop en Josephine maakt de foto.

Groningen Europa in

We rijden langs Euroborg, het stadion van FC Groningen, waar vanavond de play off voor de Europa League wordt gespeeld. Hoe dichter we het station naderen, hoe meer in groen wit geklede mannen ons tegemoet rijden.
Later schrijft Tonny: ‘Ik vond het een zeer geslaagde dag! En 's avonds allemaal blije familieleden in verband met de overwinning van FC Groningen!
Ze gaan nu "Europa in" en Bart mag met de buurman mee naar de eerste uitwedstrijd.... dat stond al een jaar of zeven op het programma; maar ze redden het steeds niet... tot nu!’

Maar… een pontje gedaan, nog 54 te gaan.

18 mei 2014




dinsdag 29 april 2014

Ome Piet

Logeren was voor mij het betreden van een andere wereld. Het vaakst was ik bij mijn peettante en peetoom in Weert: Tante Betty en Oom Piet. Zij waren eind jaren dertig vertrokken vanuit Rotterdam, omdat er geen werk meer was bij de Oranje-Boombrouwerij. De Wertha-brouwerij had nog wel plaats voor een kuiper. Iemand die vaten of tonnen maakt.

Bij ons thuis werden een maal per week boodschappen gedaan. Je kinderfiets met fietstassen was dan zo zwaar beladen dat je goed voorover op je stuur moest leunen. Anders ging je fiets steigeren. Tante Betty echter ging elke dag met een rieten mandje op pad: langs de bakker en de groenteboer. Mijn tante sprak geen Limburgs, maar de middenstanders deden dat natuurlijk wel. Maar wel aangepast, zodat wij het ook konden verstaan. De bakkersvrouw was altijd ‘zo meug’. Ik genoot van de lokale verhalen.

Tante Betty en Oom Piet met mij

Toen de houten vaten in onbruik raakten, werd mijn oom bijrijder op de vrachtwagen, die de kroegen bevoorraadden. Als hij in de buurt was, kwam hij me ophalen. Gauw werden er wat kleren in een koffer gepropt. En daar gingen we dan. Bij elk café kreeg ik een glas limonade en de mannen een glas bier. Met een klotsende buik arriveerden we later op de dag in Weert.

Vandaag gaan we op pad naar een andere Ome Piet. Die over de Ringvaart Haarlemmermeer mensen overzet naar het Amsterdamse Bos.

De fietstocht naar station Nieuwerkerk verliep droog met weinig wind. In Breukelen stapten een paar Feijenoordsupporters de sprinter binnen en de regen arriveerde. Van station Duivendrecht naar het Amsterdamse Bos moet niet moeilijk zijn, maar toch slaagden we erin er anderhalf uur over te doen. De kaart was niet gedetailleerd genoeg. Het leek wel een intervaltraining: voortdurend stoppen om ons te oriënteren.

Oranje resten

In Waver, een buurtschap aan het zuidpuntje van de polder de Ronde Hoep, zien we de restanten van Koningsdag. Oranje slierten in de goot, werkloze bierpompen op een rij, ingepakte kermisattracties en een etalage met oranje attributen.

Pannekoekenboerderij Meerzicht

Ineens waren we in het Amsterdamse bos. Het frisse voorjaarsgroen licht door de regen nog feller op. We kwamen dus van de ‘verkeerde’ kant. ‘Zullen we dan maar eerst een pannenkoek eten?’
In 2006 hadden we hier al het wonder aanschouwd van een voortdurende ronddraaiende ring met koekenpannen. Zeer efficiënt.

Bij de pannenkoekenboerderij stond al een bord: ’60 meter: het veer van Ome Piet’.

‘Slechts 1 maal bellen,’ luidde de instructie. Als brave meisjes hielden we ons hieraan. Bij het pontje aan de overkant staat een aantal mannen gezellig te kouten. We worden niet opgemerkt. Het regent nog steeds en we willen naar huis. ‘Wilt u overvaren?’ klinkt het opeens van de overkant. We knikken.


Binnen een minuut zijn we aan de overkant. Ome Piet zijn mond staat niet stil en we krijgen aanwijzingen voor het dichtstbijzijnde station: Amsterdam Halfweg. De naamloze oom aan het roer zwijgt slechts.

Station Amsterdam Sloterdijk

Dat trekt ons niet aan en we rijden richting Sloterdijk. Het is nog een behoorlijke afstand en als we in de verte het logo van Reed Elsevier zien opdoemen, weten we dat het niet meer ver kan zijn. Ik ben nog nooit zo blij geweest bij het naderen van dit gebouw.

Hoofdkwartier van Reed Elsevier

Voor het station vraag ik een man om ons als verzopen katten te fotograferen. ‘Ik ga niet lachen, hoor,’ roept Josephine hem toe.

Door de 5 minuten vertraging haal ik de sprinter van 14:36. Het is druk. Drie jongemannen zitten op de gereserveerde plaats voor fietsen. Ik wijs de jongens op het bord Voorrang met de afbeelding van een fiets. Met een ‘kanker’ staat de ene jongen op, gevolgd door de anderen. Als ze staan, zie ik op hun jasjes AFC Ajax staan. Gelukkig niet uit vak 410, neem ik aan.

Bij Amsterdam Centraal stroomt de trein leeg en kan ik een zitplaats vinden. Ik check nog even de verregende foto’s van vandaag. Bij thuiskomst blijk ik de camera te hebben laten liggen. Online een formulier ingevuld en nu maar afwachten. En dus geen eigen foto’s bij deze blog.

Weersachterafspelling

’s Avonds weten de weermannen altijd goed het weer te voorspellen van de voorbije dag. Zaterdagavond was de voorspelling: ’s ochtends regen in het westen, ’s middags in het oosten. We zouden om half elf vertrekken van station Duivendrecht. Een uurtje regen kunnen we wel hebben, maar de hele dag, daar houden we niet zo van. Zeker niet als ons een droge middag is beloofd.

Maar… een pontje gedaan, nog 55 te gaan.

27 april 2014






zondag 23 maart 2014

Grenzen

Daar houd ik je aan,” mailt Josephine me terug na mijn belofte dat ze deze keer niet door modder hoeft te glibberen.’ Bewust had ik vandaag gekozen voor pontjes dichterbij huis. Beide ten noorden van Woerden. Dat was maar goed ook. Na Woerden waren er werkzaamheden aan het spoor en werden er bussen ingezet. Of in de Randstad buschauffeurs ook zo vriendelijk zijn om onze fietsen mee te nemen, betwijfelden wij. 


Het Groene Hart

Bij het uitstappen van de sprinter bood een wachtende man me aan om te helpen met het uit de trein tillen van de fiets. Ik ben de leeftijd voorbij dat ik dat haastig afwijs. Je moet dan altijd wel uitkijken dat je niet je evenwicht verliest als een ander ineens overpakt. 
In het Groene Hart zijn weinig fietspaden en we moesten dan ook een flink stuk naar het noorden rijden om linksaf te slaan naar het pontje. Een mooi schelpenpad, de Houtkade, bracht ons rechtstreeks naar het veer. 
We hadden al gezien dat de lucht steeds donkerder werd en jawel hoor. De voorspelde hagelbui kwam in alle kracht op ons neer. Net zoals koeien doen, gingen we met onze kont naar de wind staan en wachtten we tot het over was.

Met de kont naar de wind en de hagel

De Grecht

Gebruiksaanwijzing

Het pontje lag aan de overkant. We drukten de schijf in, volgens de instructie, maar de ketting kwam niet in beweging. Na het indrukken van de schijf sprong hij er iedere keer weer. Na verloop van tijd kreeg ik het in de gaten. Je kunt de schijf alleen maar goed indrukken als je het handvat in je hand hebt. Geen brute kracht dus. 
Nadat het pontje aan onze kant was, reden we de fietsen erop. We volgden dezelfde methode als op de kant. Handvat beetpakken en indrukken. De pont kwam los van de wal om midden op de Grecht met een ruk stil te houden met een strak gespannen ketting aan beide zijden. We zagen al visioenen voor ons dat we met de fiets boven ons hoofd naar de oever zouden moeten zwemmen. Gelukkig konden we wel terug varen. 


Het pontjesreglement 


Tja, hebben we nu het pontje wel of niet gedaan? Het Pontjesreglement kent slechts één artikel.
‘Alle criteria die we in de loop der jaren hebben aangelegd, zijn nooit op papier gezet, en toch zijn ze intuïtief voor beiden duidelijk.’
Qua afstand hebben we hem gedaan. Twee maal naar de helft varen is hetzelfde als de hele tocht. Net zoiets als een halfvol of halfleeg glas. ‘Dan noteer je hem toch met potlood,’ suggereerde Josephine.


Op de grens van Zuid-Holland en Utrecht 

Veel rivieren in Nederland zijn provinciegrensrivieren, zoals de Nederriijn (Utrecht en Gelderland), de Maas (Gelderland, Noord-Brabant en Limburg en de IJssel (Gelderland en Overijssel). Verschillende pontjes hebben dan ook twee nummers: een nummer van de ene provincie en van de andere. Het pontje van vandaag heeft de nummers ZH74 en Ut23.
Tot 1989 was Woerden onderdeel van de provincie Zuid-Holland. Toevallig loopt de grens van Zuid-Holland en Utrecht precies door de rivier de Grecht. We kunnen zeggen dat we het Utrechtse deel van het pontje wel hebben gedaan en het Zuidhollandse deel niet. We hebben dus Ut23 gedaan, maar ZH74 niet. Getalsmatig maakt het niet uit; het blijft één pontje. 



Boerinn 

We rijden weer terug naar Woerden om het pontje in het wandelpad, de Grechtroute, tussen Woerden, ’s Gravensloot en Kamerik te doen. Dit pad voert langs boerderij De Boerinn. We drinken er wat. Het meisje achter de bar vertelt dat de boerin meer dan 20 activiteiten voor binnen en buiten, organiseert. Ik spreek mijn verbazing uit dat één persoon zoveel kon organiseren. ‘Nee, het is niet de boerin die dat allemaal doet; de locatie heet Boerinn, met twee ennen.’


Maximaal 1 persoon



Na het ontwarren van het in het water hangende touw stap ik als eerste aan boord. Gelijk schiet het primitieve vaartuig naar de overkant. Nu kunnen we ons er wel iets bij voorstellen. De ander zou niet eens meer aan boord kunnen stappen. Later volgt Josephine. We voelen ons wel erg eenzaam dat we niet met z’n tweeën tegelijk mogen. 
Staat hierover iets in het Pontjesreglement? Moeten we per se met z’n tweeën op de pont zijn tijdens de overtocht? Zoals hiervoor al is gebleken, is het reglement zo ruim van opzet dat we het zelf kunnen invullen.  
Zelfbedieningskabelveerpont over een sloot

Twee pontjes gedaan, nog 56 te gaan. 

 23 maart 2014

zondag 23 februari 2014

Wachten…

“Wist je dat ieder mens gemiddeld bijna twee jaar van zijn leven besteedt aan wachten?’
“Wat? Zo lang?’ Sanne liet zich niet uit het veld slaan.
‘En dat is niet eens het ergste aan wachten. Het ergste is dat je tijdens het wachten nooit precies weet hoe lang het wachten nog duurt. Wachten zou minder erg zijn als je het zou kunnen plannen.’

Fragment uit ‘Tilt’ van Michiel Stroink

Hoe profetisch zouden die woorden blijken.


Wieringerwaard

Na het moddergevecht van de vorige keer had ik een pontje uitgezocht waarvan ik zeker wist dat beide veerstoepen geasfalteerd waren.
De kabelmotorveerpont over het Noordhollands Kanaal van Anna Paulowna naar Julianadorp voldoet aan dat criterium. Vanuit Schagen rijden we door de Wieringerwaard naar Anna Paulowna. De straffe bries hebben we afwisselend voor en van opzij. Soms tegen.

Een bankje




De Molenvaart bij Anna Paulowna

Is dit geen ideale plek voor een boterham? Of zou dit een privébankje zijn? We wagen het erop en installeren ons. Tussen de twee stoelen is een tafeltje geïnstalleerd. Ideaal voor een boterham met soep. De vrouw des huizes komt naar buiten. Onder  de uitroep ‘Zitten jullie lekker? loopt ze het dorp in.
Met de zelfontspanner maak ik wat foto’s.



Deze actie lokt de echtgenoot naar buiten. Hij vertelt dat hij de steiger zelf heeft gebouwd van afvalhout. Van een buurman heeft hij het bankje gekregen.
We antwoorden dat we met ons thermisch ondergoed nergens last van hebben.
‘Vinden jullie het niet koud? Hier waait het altijd.’

Lunchpauze

Na 200 meter rijden we ineens tegen het pontje aan, maar… de pontjesbaas luncht van half een tot een uur. En het is 2 minuten over half een. We gaan in het wachthokje zitten, uit de wind, in de zon.



Met onze benen bungelend boven de grond, nemen we een kopje thee met nog een boterham.


De overkant is binnen een minuut bereikt.

Gaan we naar Julianadorp, naar Anna Paulowna naar het station of naar Den Helder?
We hebben pas 22 kilometer gereden. Conclusie: We gaan naar Den Helder.
Den Helder blijkt een grote bouwput te zijn en we besluiten maar gauw weer naar huis te gaan. We kijken op onze telefoon wanneer de volgende trein gaat. 'Hé, die gaat pas om 17:04 uur en het is nu tien voor twee.' Op het perron wordt het ons duidelijk.



Auto gegrepen door trein in Oudesluis

De omroeper: 'Er rijden geen treinen tussen Anna Paulowna en Schagen wegens een ongeval. Er worden bussen ingezet. Het spoor zal omstreeks vijf uur weer vrij zijn.

Wachten

We gaan op zoek naar een pannenkoek. Altijd een troostrijke bezigheid: pannenkoeken eten. Ik vraag aan een puber bij de  bushalte waar we een pannenkoek kunnen eten. Ze rolt met haar ogen bij het idee al dat ik dat uitgerekend aan haar vraag. Later zegt Josephine: ‘Ja, dat is natuurlijk helemaal niet cool.’

Je vent lastig?!!

De horeca ziet er troosteloos uit tot we Diverzo ontdekken. Het blijkt een echtgenotencrèche te zijn. Terwijl zij in de belendende winkel kleding past, zorgt het horecapersoneel gratis voor hem. Zij hoeft alleen de consumpties af te rekenen.
Op de kaart staat alleen een pannenkoek onder het opschrift ‘Kids’. Wij vragen of die ook voor volwassenen geldt. ‘We maken er gewoon een grotemensenpannenkoek van,’ luidt het antwoord.

We controleren nog een keer de Reisplanner in de hoop dat de treinen eerder dan 5 uur gaan rijden. Tot onze schrik zien we dat het is opgeschoven naar 21:00 uur. Wat nu?


De bus

We exploreren alle mogelijkheden. Maar al het treinverkeer, of het nu naar Lelystad, Nijmegen of Maastricht is, loopt via Anna Paulowna. Er rijden wel bussen, maar die nemen geen fietsen mee. We vermannen ons en nemen de trein. Vanaf daar zullen/moeten we gaan fietsen naar Schagen. 

In Anna Paulowna aangekomen, zien we dat de ingezette bussen, luxe reisbussen zijn. De bagage wordt onderin gestopt. We doen net of we gek zijn en sluiten bij de rij aan. De buschauffeur probeert onze fietsen erin te krijgen. Dat lukt niet. De chauffeur van de volgende gereed staande bus staat te lachen bij het aanschouwen van zijn pogingen. ‘Lach maar, je krijgt deze twee dames van mij, want ik ben vol.’ 
We lopen met de fiets aan de hand naar de volgende bus. Met wat heen en weer gemanoeuvreer liggen onze fietsen in het luik. We verwachten dat we een half uurtje moeten wachten op de volgende trein uit Den Helder. Maar hij rijdt meteen met ons tweeën weg. Vanuit onze hoge, comfortabele positie bekijken we het Noordhollandse landschap, dat we vanochtend met de fiets doorkruist hebben.




Als we een tijdje op weg zijn, zie ik een bord met ‘Den Helder 24’. Ik kijk Josephine aan: ‘Hadden we dit schuin tegen de wind in moeten fietsen zo laat in de middag?’ Ze knikt.
In Schagen staat de trein al klaar en hij rijdt meteen weg als we ons geïnstalleerd hebben.
Bij Zaandam kan ik overstappen – met een wachttijd van 25 minuten – op de sprinter naar Capelle.
Om 19:16 uur ‘wapt’ Josephine: ‘Verder geen tegenslag.’

Ik schrijf terug: ‘Mooi, ik ben bij Breukelen.’

M’n boek Tilt heb ik bijna uit (bladzijde 184 van de 207) als de sprinter in Capelle arriveert. Na een rit door het donkere Schollebos, ben ik om kwart over acht thuis waar de gestoofde groenten met kip bijna klaar is.

Voor een pontjestocht van 12 seconden ben ik 12 uur en drie kwartier onderweg geweest.

Vinden jullie dit nu leuk?

Naar aanleiding van de vorige tocht door de modder, merkte een van de lezers op. ‘Vinden jullie dit nu leuk? Ik heb helemaal geen aanvechting om dit ook te gaan doen.’
Het antwoord is: ‘Ja, wij vinden dit leuk, omdat het altijd anders is. Je komt op onvermoede plaatsen, diversiteit in de Nederlandse landschappen, het weer is nooit hetzelfde, je ontmoet heel diverse mensen en het is uitdagend om een doel te hebben en dit – in etappes – te verwezenlijken. Bovendien verliezen we nooit ons humeur. We accepteren de dingen, zoals ze zijn.’


Eén pontje gedaan, nog 58 te gaan.

22 februari 2014

zondag 12 januari 2014

Mud runs

Sommige mensen doen het voor hun plezier: door de modder rennen, waden, tijgeren en kruipen. De zogenaamde mud runs. Soms wordt de modder speciaal aangelegd als er in de omgeving niet voldoende natuur is. Mariniers stellen het parcours samen. Ik heb zelfs vernomen dat er organisaties zijn die modder gaan testen voordat ze hem bestellen. Meestal wordt de omgeving zo uitgekozen dat er van nature veel modder aanwezig is.

Als pontjesvaarders hebben wij geen keuze: de pontjes liggen, waar ze liggen.


De Wijzend

‘Neem je goede schoenen mee, want er moet wat loopwerk verricht worden om bij de pontjes te komen en het is erg drassig,’ had ik Josephine al gemaild.
In de Beemster lagen drie pontjes op ons te wachten. De eerste was in de buurt van Kwadijk en Hobrede. De aanwijzing luidde: ‘ga op de Oud-Raeffeldamweg een hek over, het weiland in’.

De eerste schoenenwissel
Eerst de waterdichte wandelschoenen aan. Bij het hek is het drassig, maar allengs wordt het droger. Na 500 meter vinden we het pontje. We varen heen en weer over de Wijzend en lopen weer terug.

Zelfbedieningskabelveerpont over de Wijzend
 Wandelschoenen weer uit en op de fiets naar Oosthuizen waar de volgende twee pontjes klaar liggen.

De Beemster

We kennen allemaal Leeghwater die in de 17e eeuw o.a. het open water Bamestra (3 meter diep) drooglegde. De waterbeheersing is nu zo nauwkeurig mogelijk afgestemd op de bestaande verschillen in hoogteligging, aard en gebruik van de landerijen. De kaarsrechte kavels met links en rechts sloten herinneren aan dit verleden. Het levert ook mooie vergezichten op. We genieten van het vlakke landschap met landerijen, verspreide boerderijen, clusters woonhuizen en wilgenrijen. En daarboven de beroemde Nederlandse wolkenlucht.

Dit landschap zagen de schilders van de Haagse school ook


Kijk over de Kogenroute

De volgende pontjes liggen in de buurt van Bezoekerscentrum De Breek. Een makkie om die te vinden, dachten wij.
De weg loopt op een gegeven moment dood bij een hek. In de verte zien we de molen Etersheim, maar hoe komen we daar? Op de site van de Vereniging Vrienden van de voetveren had ik gezien dat op de pontjes witte hekken staan. In de verte zie ik een paar witte hekken. Weer de carroussel van fietsschoenen naar wandelschoenen en opgewekt gaan we op pad, zorgvuldig de min of meer uitgesleten sporen volgend. Na verloop van tijd zien we dat de witte hekken, gewoon witte hekken zijn. Daar aangekomen, besluiten we het water te volgen. Voor ons uit zien we een hele serie hekken, voorzien van een ‘kissing gate’.


Een kissing gate

 
Een kissing gate in een ander seizoen

Een kissing gate is een hek naast een groot hek, waar mensen wel door kunnen maar dieren niet. Het korte hek zit binnen een driehoek. Je loopt de driehoek in, haalt het korte hek voor je langs naar de andere kant en loopt eruit.
Het principe van een kissing gate is eenvoudig, maar wij hadden grote moeite om bij die hekken te komen en deze weer te verlaten, omdat het zo drassig is. Onze schoenen zuigen zich vast in de zeeklei en soms golft het water over de rand. Nadat we op deze wijze zes hekken hebben overwonnen, meen ik het eerste pontje te zien.

Een ongewenste 'mud run'

 Dat geeft ons moed en we glibberen voort. Bij het pontje gekomen, moeten we weer over een hek, maar we zijn er!

We hebben nu zoveel ervaring dat we snel het tweede pontje bereiken. Ondanks de vermaning dat we op de paden moeten blijven, steken we dwars over naar de weg en lopen naar onze fietsen. Een tweede glibbertocht, daar hadden we geen zin in.

Klaar voor de schoenenwissel

Dik Trom

 ‘Welkom in het land van Dik Trom’ staat er onder het plaatsnaambord van Etersheim. Een bordje verwijst naar Het schooltje van Dik Trom. We zien een saai gebouw aan het einde van het dorp met in de gevel ‘O.L. School’ en op het hek de bekende afbeelding van de deugniet op een ezel. Het is nu een museum:


In het Kinderboekenmuseum Het Schooltje van Dik Trom maakt u kennis met het leven van Dik Trom, een echte Noordhollandse jongen, vrijheidlievend en behulpzaam. Ondeugend en soms brutaal, maar eerlijk en met een hart van goud. Sommige mensen vinden hem een beetje te baldadig, anderen vinden hem in deze tijd juist te braaf en voorspelbaar. Oordeelt u zelf als u in een oude schoolbank plaats neemt.

Wij nemen niet plaats in de schoolbank. We willen naar huis.

Ondanks dat we voortdurend treinen door het landschap zien rijden, moeten we naar Hoorn fietsen om een station te vinden. We volgen de Westfriese Omringdijk en passeren Schardam en Scharwoude. (Het woord ‘schar’ betekent ‘oever'.) 

In Hoorn zijn we verbaasd over de grote stroom jonge reizigers die de trein verlaten.
Twee-en –half uur later ben ik thuis.

Drie pontjes gedaan, nog 59 te gaan.

10 januari 2014.