“Hallo allemaal. Ik ben nieuw hierzo. Hoe lang duurt het voordat je opgehaald wordt?”
“Oh, ze bellen je nieuwe baasje of vrouwtje op en vragen of ze je de volgende dag wil ophalen. En ondertussen maken ze je rijklaar.”
“Jij bent ook geel. Zijn wij familie?”
“Ja, ik ben een proeffiets. Op mij worden proefritten gereden.”
“Oh, dan ken je mijn nieuwe baasje of vrouwtje.”
“Mmmm, er wordt zo vaak op mij proef gereden. Ik zal eens luisteren naar de
monteurs die jou rijklaar maken.”
De monteurs kijken in de rijklaarinstructie: twee steunen, een spiegel, bandjes
bij de pedalen.
“Ha, ik weet het al, het is een vrouwtje. Ze heeft eerst op
andere fietsen gereden en op het laatst op mij. Ze was samen met een
achternicht. We zijn eerst de wijde natuur in gereden. Die nicht riep
voortdurend ‘rechts’ en we moesten zelfs met het rechterwiel in het gras
rijden. Voor een steil bruggetje moesten we van haar stoppen en dan kijken of
we de brug over konden komen. Dat ging makkelijk. Die vrouw heeft sterke benen.
“En dan gaan we nu Leiden in,” kondigde die nicht aan.”
“Wat een drukte! Allemaal jonge mensen op fietsen en wat een
smalle fietspaden. Die nicht hoefde niet meer ‘rechts’ te roepen. We hielden
keurig rechts en we werden voortdurend ingehaald.
Ik was blij dat we weer terug in de werkplaats waren.”
“Dat klinkt interessant. Ik hoef me vast niet te vervelen.”
“Dat denk ik ook niet en ik hoorde haar vertellen dat ze met een vriendin
maandelijks pontjestochten doen.”
“Pontjestochten?”
“Ja, dan ga je met de auto ergens naar toe en op een parkeerplaats wordt je
uitgeladen en dan gaan jullie samen een pontje zoeken en over een rivier
varen.”
“Ik word er al moe van als ik het hoor.”
“Oh, je wordt opgehaald. Daar is het busje.”
“Bedankt voor je verhalen. Ik ga me vast niet vervelen.”
Op een groot parkeerterrein word ik uitgeladen en er komt een vrouw aan
gelopen. Ze zegt: “Ik wil eerst weten of hij in de berging past.”
“Dat past altijd,” bromt de chauffeur
en hij begint me door de buitendeur te wringen: “au, au.”
“Mm, het gaat net. Nu naar uw eigen berging.”
Na wat heen en weer steken, sta ik binnen. Wel een beetje rommelig hok, maar
daar houd ik wel van.
Na twee dagen, komt de vrouw ’s morgens vroeg de berging in
en zegt “We gaan naar de Spierkrachttraining en daarna naar de masseuse in
Nieuwerkerk.”
Na wat heen en weer wringen, staan we buiten. Gelijk staan er mensen om ons
heen en ze bewonderen mij. Een man wil alles van mij weten.
We rijden de parkeerplaats af, het verkeer in. Bij de sporthal word ik
geparkeerd en op slot gedaan. Haar trainingsmaatjes lopen mij onverschillig
voorbij, maar een uurtje later komen ze mij allemaal bewonderen. De vrouw stapt weer op en
we rijden de ’s Gravenweg op.
“Mevrouw, mevrouw mag ik u iets vragen? Waar
heeft u die fiets gekocht?” Er ontspint zich een gesprek tussen de vrouw en die
mevrouw.
Bij de masseuse aangekomen, blijken we nog te vroeg te zijn.
De vrouw blijft op mij zitten en begint de puzzel van het NRC op te lossen.
Ineens komt de masseuse naar buiten “Wat een geweldige fiets.”
Ze gaat op mij zitten, maar ze is veel groter dan de vrouw en ze kan haar benen
niet kwijt.
Na een uurtje rijden we weer naar huis.
Oei. In Hitland zien we twee busjes op het fietspad staan. De vrouw versaagt
niet en rijdt vlak langs de busjes en dan doemt ineens een brug op. De vrouw
trapt dapper door en rijdt met mijn rechterwiel door het hoge gras, maar we
blijven hangen. We hangen helemaal scheef. De vrouw zet mij op de handrem en
stapt af. Een jongeman komt aangelopen en samen tillen ze mij weer op het
asfalt en rijden mij de brug op.
Zo verstrijken de dagen en we raken steeds meer op elkaar ingespeeld. We
blijven de “talk of the town”. Overal bewonderende blikken. En … we krijgen
regelmatig voorrang.
Over die pontjestochten hoor ik niets meer, maar ik wacht rustig af …
Scorpion fs20, opgetekend door Bettie van Veen



